zondag 29 december 2013

Grijze stenen – Aflevering 4: Kangbashi

In Binnen-Mongolië, een provincie in het noorden van China, vinden we een heel interessante stad: Ordos. Ordos is een stad die in korte tijd zeer rijk is geworden, voornamelijk dankzij enorme steenkoolvoorraden. Ze bestaat uit drie districten: Dongsheng, Azhen, en Kangbashi. Kangbashi is de jongste van het stel en in het kader van deze serie de meest interessante. Het is een stad op zich, die op een kleine 30 kilometer van het “Oude Ordos” ligt, en is in tien jaar tijd uit de grond gestampt. Waar voor 2004 enkel woestijn te vinden was, staan nu wolkenkrabbers met luxueuze appartementen, grote villa’s, en hypermoderne architectonische bouwwerken. Je vindt er een uitgebreide bibliotheek, een Culture and Arts Center met één verdieping boven de grond en liefst vijf onder de grond, een museum dat een kunstwerk op zich is, theaters, sportvelden, grote parken, brede straten — en alles is nieuw en alles glimt. Voor Kangbashi heeft men zelfs het plan er een “groene stad” van te maken, dus met duurzame energievoorzieningen — toch niet het eerste dat je met Chinese steden associeert. Kortom, een moderne droomstad. Maar er mist iets: inwoners.

Kangbashi is namelijk vrijwel onbewoond. In 2010, zo was berekend, zou het district 300.000 inwoners hebben: ze telde dat jaar een schamele 30.000 bewoners. De meesten daarvan zijn ook nog eens tijdelijk: bouwvakkers, want de bouw van huizen en appartementen gaat onverminderd voort. In het oorspronkelijke plan huisvest Kangbashi uiteindelijk liefst 1 miljoen Chinezen. Een goede oplossing voor de enorme trek van platteland naar stad, zou je denken, ware het niet dat de prijzen van het vastgoed daarvoor veel te hoog liggen. De woningen worden dan ook massaal opgekocht door de nouveaux riches van China, die het opkopen van de luxueuze woningen in het nieuwe district als een goede investering zien. Ze kopen geen huizen met het idee erin te gaan wonen, maar omdat de waarde van het vastgoed in China onverminderd stijgt: economen spreken van een gigantische vastgoedbubbel die ooit moet gaan barsten. Voorlopig ziet het er echter nog niet naar uit. Er wordt vrolijk doorgebouwd in de woestijn, het GDP (gross domestic product) vertoont al decennialang een stijgende lijn, evenals de huizenprijzen in Kangbashi. Of dit op de lange termijn vol te houden is, is nog maar de vraag.

Hoe de economische toekomst ook maar zal zijn, Kangbashi staat nu al jarenlang als symptoom van de gouden Chinese tijden in de woestijn van Binnen-Mongolië te glinsteren. Behalve de eerder genoemde bouwvakkers zijn er wat ambtenaren te vinden: het lokale bestuur van Ordos is namelijk al wel in het nieuwe district gehuisvest. De meeste ambtenaren kiezen er echter voor om zelf in het oude Dongsheng te blijven wonen.

Deze afwezigheid van permanente inwoners maakt het voor winkels en restaurants zeer onaantrekkelijk om zich in Kangbashi te vestigen: geen inwoners betekent immers geen inkomsten. De overheid doet intussen wel haar best om de stad op gang te helpen, en heel voorzichtig lijkt er wat meer leven te komen in het district, dat al vaak is aangehaald als voorbeeld van het ongecontroleerde Chinese bouwen van overbodige infrastructuur en huizen: het inwonersaantal zou toegenomen zijn tot zo’n 70.000 (officiële cijfers kon ik niet vinden), en de eerste tekenen van commerciële industrie zijn zichtbaar. De overheid heeft hieraan bijgedragen door ondernemers gratis ruimte aan te bieden, gratis openbaar vervoer en verblijf, jarenlange vrijwaring van belastingen, en flinke kortingen op gas, water, en licht.

Of het voldoende is om de spookstad tot leven te wekken, zullen we in de komende tien jaar zien. De Chinezen zien in ieder geval geen problemen. Het nieuwe district ziet er vooralsnog mooi en nieuw uit, de steenkoolmiljonairs hebben vastgoed om in te investeren, het GDP stijgt maar door. Dat Kangbashi voorlopig even zielloos is als de immense bronzen beelden die de gigantische, verlaten pleinen sieren, zal de investeerders een zorg zijn. En of de droomstad ooit een levende werkelijkheid wordt, zal de toekomst uitmaken.


Lege wegen leiden naar Kangbashi.


Luxueuze villawijken waar geen mens woont.

© Michael Christopher Brown for TIME


Het Wumulunplein; één bezoeker en een kudde paardenbeelden.


Het Linyinluplein.


Het Ordos Museum.

woensdag 18 december 2013

Halina Reijn, fashionista

Iedereen die (wel eens) mijn blog leest: bedankt! De afgelopen maanden heb ik van veel kanten, soms heel onverwacht, complimenten en/of opmerkingen gekregen (nog geen klachten tot zover) over de stukken die op onregelmatige basis op deze site verschijnen. Het is heel erg leuk om te merken dat mijn met zorg gesmede zinnen gelezen en gewaardeerd worden!

Vanmorgen kwam ik er tot mijn grote verrassing achter dat er een wel heel prominent lid in de leesgroep zit: Halina Reijn! Ik zag op het journaal namelijk een korte samenvatting van het Sportgala 2013, dat gisteravond gehouden werd — en hoewel ik normaal gesproken met name in het inhoudelijke deel geïnteresseerd ben (wie wordt sportman/sportvrouw/sportploeg van het jaar? Hoe kunnen ze überhaupt voetballers, schaatsers, turners, wielrenners, etc. met elkaar vergelijken?), kon ik na de samenvatting maar aan één persoon denken, een niet-sporter: de actrice die de prijs voor sportman van het jaar uitreikte.

Want daar stond ze! In knalrode jurk, met... verenepauletten. Nog geen drie maanden na publicatie van Flowers and feathers haalt Halina Reijn het ineens in haar hoofd om in een jurk met verenepauletten te verschijnen! Dat kan maar één ding betekenen: ze haalt haar inspiratie van deze site. Oké, het is geen jasje zoals ik in mijn artikel beschreef, maar dat is natuurlijk ook not done op een gala, wanneer mooie vrouwen in mooie jurken horen te verschijnen. Dus wat doet Halina? Ze kiest in plaats van een jasje voor een jurk met verenepauletten, diezelfde verenepauletten waar ik zulke lovende woorden over schreef. Dát is pas een vrouw met stijl en klasse. Halina (we mogen elkaar wel tutoyeren, neem ik aan?), héél erg leuk dat je mee bent gegaan in mijn enthousiasme voor verenepauletten. Mocht je nog eens tips nodig hebben op het gebied van fashion (mijn specialiteit) of op willekeurig ander vlak, dan weet je mij en mijn blog te vinden!

© Fashion Newz

Ten overvloede: bovenstaande foto heb ik via Google gevonden, de site www.FashionNewz.nl kende ik überhaupt niet. Zij zouden mij moeten kennen. Tss.

woensdag 11 december 2013

Ovidius, Metamorphosen en Ars amandi

Eén van de mooiste aspecten van de klassieke oudheid is wat mij betreft de literatuur. De mythen, epen, gedichten, en ander literair erfgoed vormen een blijvende bron van inspiratie, bieden steun bij twijfel, en zeggen soms precies die woorden waar ik naar op zoek was. Hoewel mijn hart meer bij de Griekse oudheid ligt dan bij de Romeinse, is er één dichter die de uitzondering vormt die elke regel nodig heeft: Ovidius.

Enkele jaren geleden las ik voor mijn studie de Metamorphosen, het meesterwerk van de Romeinse dichter. Een epos in luchtige vorm, met als hoofdthema ‘gedaantewisseling’. Ovidius behandelt in sneltreinvaart de gehele geschiedenis van de wereld, van het allereerste ontstaan tot aan zijn eigen tijd. Onderweg komen alle bekende en minder bekende mythen aan bod; in totaal worden er ruim 250 beschreven. In vrijwel elk verhaal komt een gedaantewisseling voor: goden die in mensen veranderen, mensen die in een plant of dier veranderen, de nimph Syrinx die in riet transformeert om aan de natuurgod Pan te ontsnappen die haar belaagt, de titaan Atlas die in het Noord-Afrikaanse Atlasgebergte verandert.

Hoewel het geheel al met al een luchtig en gemakkelijk te lezen epos vormt (de Metamorphosen wordt ook wel een “epyllium” genoemd, letterlijk vertaald “klein epos”), is zowel de inhoud als de schrijfstijl van zeer hoog niveau. Ovidius gebruikt bijvoorbeeld graag paradoxen, verwijst veelvuldig naar andere klassieke meesterwerken, geeft cryptische omschrijvingen van personen in plaats van ze simpelweg bij naam te noemen, en ga zo maar door. Dat de dichter ook op het gebied van stijl een absolute grootmacht was weet ik alleen uit commentaren; de metrische kundigheid en klankvondsten als alliteratie en rijm zijn door vertaling grotendeels weggevallen. Maar ook in vertaling blijven de verhalen mooi. Neem bijvoorbeeld het eerder genoemde verhaal over de gedaantewisseling van Atlas, waarin Perseus bij de titaan op bezoek komt:

Hij, Atlas, zoon van Japetus, had een reusachtig lichaam, groter dan wie dan ook. Zijn koninkrijk lag aan de rand der aarde, bij de Oceaan, daar waar de Zonnepaarden hijgend in zee verdwijnen met hun moegedraafde wagen. Hij liet daar op zijn velden duizend kuddes groot- en kleinvee rondgrazen; buren, die dicht bij hem woonden, had hij niet; de bomen droegen loof dat schitterde met gouden weerschijn en takken van puur goud, vol gouden ooft, beschaduwde.

Perseus sprak tot zijn gastheer: ‘Als de glans van hoge afkomst nog indruk op u maakt — ik ben de zoon van Jupiter, en als u houdt van heldendaden, kijk dan naar de mijne. Ik vraag gastvrijheid en een bed.’ Direct dacht Atlas aan een oud orakel, hem in Delphi ooit verstrekt door Thermis: ‘Atlas, het uur zal komen, dat je bos beroofd wordt van het goud. Een zoon van Jupiter zal trots zijn op de buit.’ Daarvoor bevreesd had Atlas dus zijn appelgaard voorzien van forse muren; een enorme draak moest die bewaken en iedereen van buitenaf werd uit het land geweerd. Ook tegen Perseus riep hij nu: ‘Weg hier! Of anders heb je heel weinig aan die zogenaamde heldenroem, zelfs niet aan Jupiter!’ Hij zet dit dreigen kracht bij door zijn vuisten te tonen, als de ander staan blijft en op kalme toon al even dreigend terugspreekt; minder sterk — wie kan zo sterk zijn als Atlas? — zegt hij: ‘Goed, u hebt mij liever niet te gast, neem dan dit gastgeschenk...’ en steekt van links het slangenzwarte Medusahoofd naar voren, zelf de ogen afgewend, en Atlas wordt in volle grootte in een berg veranderd! Zijn haar, zijn baard wordt bos; zijn schouders worden hellingen; zijn armen ook; wat hoofd was wordt de top van het gebergte; zijn botten worden rots. Daarna dijt hij oneindig hoog en ver naar alle kanten uit — zo wilden het de goden — en ’t hele zwerk met al zijn sterren rust sindsdien op hem. (Ov., Methamorph., IV. 631-662.)

Laatst pakte ik echter een ander werk van Ovidius uit de kast; de Ars amandi, vertaald Lessen in de liefde. (De redenen dat ik juist dit boek erbij pakte laat ik maar in het midden...) Wat me — niet voor het eerst — opviel was dat de woorden die Ovidius ruim 2000 jaar geleden schreef nog altijd actueel zijn, soms zelfs te losbandig lijken voor deze tijd. Er worden uitermate praktische tips gegeven over waar je de liefde van je leven het best kunt ontmoeten, en hoe je diegene moet versieren, behagen, en kunt behouden. Heb je je oog laten vallen op iemand die al bezet is? Geen probleem, met de tips van Ovidius weet je precies hoe je dit moet aanpakken, en hoe je vervolgens bewakers en kamermeisjes kunt omkopen of omzeilen. Ovidius vertelt zonder enige terughoudendheid hoe je er meerdere geliefden tegelijkertijd op na kunt houden, en weet zelfs de oplossing als één van de geliefden achter je dubbele agenda komt:

Doe in bed je best. Daar ligt al snel de vrede: een goede vrijpartij schoont eerder overspel.

De Lessen in de liefde lezen nog gemakkelijker dan de Metamorphosen. Niet alleen vanwege het tijdloze onderwerp en de uiterst pragmatische insteek van de zelfbenoemde “kundig liefdeskenner”, maar ook door het metrum: de Lessen in de liefde zijn in disticha geschreven; dat wil zeggen in combinaties van telkens een hexameter en een pentameter. Een hexameter is een versregel die uit zes versvoeten bestaat, een pentameter bestaat uit vijf versvoeten. Dit lijkt een klein verschil, maar dit metrum werkt eigenlijk als een goed uitgevoerde tweeslag in volleybal: de eerst bal wordt ruim omhoog gespeeld (de eerste regel is verhalend, uitweidend), en de tweede bal wordt direct hard binnengeslagen (en de tweede regel rondt direct af). De Lessen in de liefde zijn dus in een golvend ritme samengesteld, met teksten die soms haast als slagzinnen lezen.

Met het weekeinde (bijna) voor de deur, hieronder nog een paar tips die Ovidius aan vrouwen meegeeft die op het punt staan uit te gaan. Waaruit onder anderen blijkt dat fashionably late helemaal niet iets van de laatste jaren is:

Jij staat te popelen om uit te gaan, ik leid je naar feestvermaken, en ook daar geef ik je raad

Ga laat. Zorg voor een fraai entree bij lamplicht. Laat-zijn flatteert en is de beste liefdesmakelaar;

Zelfs lelijk lijk je voor laat wijnvolk toch wel mooi, en de donkerte verhult wat er aan jou mankeert.

Tast toe met vingermaat; het gaat om netjes eten, prop niet met vette vingers alles in je mond.

Eet weinig, minder dan je op kunt, stop aleer je de grens bereikt; eet thuis desnoods maar eerst iets kleins.

Als Paris Helena te gulzig had zien schrokken had hij haar wel verwenst: ‘Wat heb ik dom geschaakt!’

Wijn drinken dient, ja siert een jonge vrouw veel beter. Bacchus en Venus vormen een prima paar,

En als je hoofd het volhoudt, doen ook geest en benen wel mee, zolang je maar niet één verslijt voor twee.

Schandalig is een vrouw die zwaarbeneveld omvalt. Zo een verdient de ergste vrijer die er is;

En na het eten slapen met je hoofd op tafel schaadt ook, omdat zo’n slaap meestal decorum mist.

vrijdag 29 november 2013

Tour de France 2015: Grand départ in Utrecht!

Deze week ging dan de kogel door de kerk: in 2015 zal de Tour de France in ons eigen Utrecht starten. Is dat leuk? Ja, dat is super leuk. En we hebben de jackpot te pakken: liefst twee etappes starten op het Jaarbeursplein, en het zijn twee mooie ritten! De eerste etappe, op zaterdag 4 juli, is een individuele tijdrit van 13,7 km door de straten van Utrecht. De tweede etappe zal de binnenstad aandoen, om na een flinke lus door de stad via Leidsche Rijn verder Nederland in te trekken.

De eerste etappe zal meteen een lastige zijn: hoewel de route er op de kaart aardig rechtlijnig uitziet, is het toch aardig wat draai- en keerwerk. Met de snelheden die in een tijdrit behaald worden is dit gegarandeerd een spectaculair begin van de Tour. En: de toeschouwers krijgen de kans alle renners één voor één voorbij te zien komen. Het enige minpuntje wat mij betreft is dat de route niet door de Kanaalstraat voert, dan had ik een gegarandeerde skyboxplek gehad.

Ook de tweede etappe, of in ieder geval het stuk dat gisteren gepresenteerd is, ziet er heel goed uit. De eerste kilometers, die zoals gebruikelijk geneutraliseerd zijn, voeren door de binnenstad en gaan zelfs onder de Dom door. Het peloton zal dus als een soort parade door het centrum trekken, om daarna nog een flinke lus door de rest van Utrecht te maken voordat de renners via Leidsche Rijn in zuidelijke richting de stad verlaten — waarschijnlijk zetten ze koers richting Zeeland, maar dat is nog niet officieel bevestigd.

Kortom, het grootste sportcircus ter wereld is coming into town! Voor de presentatie reisden zo’n zestig man aan organisatie en prominenten na een persconferentie in Parijs per speciale Tour de France-thalys naar Utrecht om ook in Nederland Le Grand Départ van 2015 toe te lichten. De Dom kleurde rood-wit-blauw, een wielrenner daalde via een kabel van de toren af, het was één groot spektakel. Dat belooft wat voor over anderhalf jaar!

Ik herinner me de Giro die in 2010 een etappeaankomst in Utrecht had, dat leefde al enorm. Wekenlang waren winkeletalages roze gekleurd, er waren allerlei aan Italië gerelateerde activiteiten en optredens, er er werd een toerversie van het Utrechtse gedeelte van de etappe georganiseerd, en ga zo maar door. Van het moment dat de wielrenners daadwerkelijk voorbij kwamen herinner ik me vooral dat het erg snel voorbij was; ik kon ook geen enkele zo snel herkennen. Maar goed! In 2015 zijn daar maar liefst twee kansen toe. En ik hoop natuurlijk in het bijzonder één renner eruit te kunnen pikken: Ted King!

maandag 18 november 2013

Fietscultuur/fietsterreur

Er zijn veel redenen om van het leven in Nederland te houden, maar voor mij steken er twee bovenuit: 1. het klimaat en 2. de fietscultuur. Voor mensen die denken dat het eerste punt cynisch bedoeld is — ik meen het echt. Gezeur over te koud, te warm, niet warm genoeg, of juist niet koud genoeg schaar ik in dezelfde categorie als gezeur over pepernoten die te vroeg in de winkel zouden liggen. Hou toch op. Maar goed, het onderwerp “weer” zal ik samen met de pepernoten bewaren voor ongemakkelijke stiltes in willekeurige sociale situaties, in dit stukje wat woorden over punt 2, de fietscultuur.

In internationaal gezelschap is het fietsen steevast één van de eerste gespreksonderwerpen, althans, na de gebruikelijke wiet/Red Light District-tandem. En telkens wanneer ik de fietscultuur in Nederland aan buitenlanders uitleg, eindig ik met een niet minder grote verwondering dan mijn gesprekspartners — niet vanwege de enorme fietscultuur in Nederland, maar juist vanwege het ontbreken ervan in andere landen. Onlangs las ik op de site van The Boston Globe een stuk over Houten, fietsstad nr. 1 van Nederland. “If the Netherlands is heaven for bicycles … then Houten is the heaven of heaven”, aldus een geïnterviewde buitenlandse ingenieur die, schrik niet, jaarlijkse studiereizen naar Houten organiseert om de fietsinfrastructuur te bestuderen. Het is een leuk artikel, vooral omdat de bekende verwondering er zo duidelijk uit klinkt — verwondering over iets wat wij zo doodnormaal vinden.

Laatst dacht ik hier op de fiets (waar anders) over na. Het was in de namiddag, ik fietste langs het station van Utrecht. Het fietspad was zoals gebruikelijk overvol, iedereen vocht voor zijn plek, als je wilde afslaan kon je het beste een schietgebedje doen, je ogen sluiten, en op hoop van zegen je stuur omgooien. Het was de plek waar mijn zusje een tijdje geleden met paniek in haar ogen stamelde “het is hier echt een urban jungle!”. En ik bedacht me weer eens dat ik het een stuk leuker vind om in een urban jungle te fietsen dan over overgereguleerde fietspaden. Heerlijk om (ik zal een klein stukje van mijn dark side maar prijsgeven) sloom fietsende mensen of voetgangers af te snijden, toeristen op OV-fietsen te scherp in te halen, liefst vlak voor een bocht, of als het stoplicht op groen springt koste wat het kost als eerste de overkant te willen bereiken. Ongeleide projectielen op het fietspad: als The Boston Globe de fietscultuur in Nederland echt wil beschrijven, zouden ze hier ook aandacht aan moeten besteden. Als ze nog een case study zoeken, ik hou me aanbevolen!



dinsdag 5 november 2013

Nick Cave & The Bad Seeds in de Heineken Music Hall –
Opening als apotheose

Een tijdje geleden schreef ik al een stuk over Nick Cave, waarin ik afsloot met de mededeling dat ik kaartjes bemachtigd had voor het extra concert van Cave en consorten. Welnu, gisteren was het zover. Op een druilerige maandagavond traden Nick Cave & The Bad Seeds op in de bekende grijze betonnen bak in de Bijlmer, met de al net zo min gezellige naam “Heineken Music Hall”. Tot zover geen gunstige voortekenen. Het voorprogramma maakte het er ook nog niet beter op: Shilpa Ray mocht zich uitleven op het podium. Ik had er nooit van gehoord, en hoop er eerlijk gezegd ook nooit meer iets van te horen. Denk een vrouw in die al gruntend en schreeuwend de lang aanhoudende klanken uit haar harmonium (een combinatie tussen een orgel en accordeon) probeert te overstemmen. Gelukkig droop ze al redelijk snel af, en kon na een korte ombouwpauze het podium geboden worden aan de Australische superster met zijn band. En toen kwam alles goed.

Na een korte groet naar het publiek worden de eerste tonen van “We No Who U R” ingezet. Zodra Nick Cave de microfoon ter hand neemt, is duidelijk dat hij in zeer grootse vorm steekt. Met een diepe, donkere stem brengt hij het openingsnummer van het nieuwste album op weergaloze wijze ter gehore. Alles klopt, en laat ik hierbij zeker niet vergeten The Bad Seeds te vermelden: want achter de overtuigende zang staat de muzikale ondersteuning als een huis, de perfecte fundering vormend voor de zang van de frontman zelf. Wat een opening. Er is amper tijd om te bekomen van zoveel muzikale pracht, want het tweede nummer, “Jubilee Street” (mijn persoonlijke favoriet van Push The Sky Away) volgt direct. En hoe. Op het album is het al een meeslepend nummer, maar op het podium is het intens in het kwadraat. De muziek begint rustig, maar de krachtige stem van Cave, waar de energie werkelijk uit lijkt te barsten, maakt direct de bedoelingen duidelijk. Naarmate het nummer vordert beent de charismatische frontman het podium van links naar rechts over, kijkt met bliksemschietende ogen de zaal in, en maakt danspassen op zijn bekende, excentrieke wijze. Ondertussen zingt hij met zoveel passie, zoveel energie, dat de intensiteit van het nummer in het hele publiek voelbaar is — en het vuur laait hoger en hoger op. Het ritme van de drums en bas gaat omhoog, de viool speelt steeds furieuzer, en Cave, één brok energie, brult uit de grond van zijn hart. Het nummer eindigt in een onbeschrijflijke climax.

© Paul Bergen

“Jubilee Street” is misschien wel het beste livenummer dat ik ooit heb mogen zien, en in combinatie met “We No Who U R” is de opening van het concert meteen het onbetwiste hoogtepunt. Natuurlijk, er volgen nog veel meer mooie nummers: het derde nummer, “Do You Love Me?” en later de bezwerende uitvoering van “Higgs Boson Blues” zijn slechts twee voorbeelden daarvan. En Nick Cave, de charismatische showman, toont zich podiumbeest eerste klas. Hij dirigeert zijn band, maakt veelvuldig contact met de eerste rijen, en heeft scherpe reacties op de kreten uit het publiek — na een ondefinieerbare brul verzoekt hij onbewogen om niet zulk lawaai te maken, want “it is distracting. Really, it is.” Wanneer dezelfde man nogmaals schreeuwt, kijkt Cave naar de hoek van waaruit geroepen werd, om het volgende nummer doodleuk op te dragen aan “the deep-throated lady over there”.

In het tweede gedeelte van het concert worden er alleen wat mij betreft wel érg veel ballads gespeeld. En dat is jammer, want hoewel ze schitterend uitgevoerd worden, neemt mijn concentratie na een aantal rustige nummers simpelweg af. Niet dat er helemaal geen vuurwerk meer in de setlist zat — “From Her to Eternity” bijvoorbeeld, is een knaller van de bovenste plank —, maar de ballads hebben me een beetje in slaap gesust. Of misschien dat het aan de openingsnummers lag, dat die net teveel van mijn energie opgeslokt hebben, ik weet het niet. Het zou ook best kunnen dat het concert als geheel me gewoon iets te lang was — in een ruim twee uur durende set worden liefst 22 nummers opgevoerd: 17 in het reguliere optreden en nog eens 5 in de toegift. In deze toegift lijken The Bad Seeds na de energieke uitvoering van “Papa Won’t Leave You, Henry” klaar te staan voor het laatste saluut, maar Nick Cave kruipt andermaal achter de piano voor nog twee nummers. Eens te meer een voorbeeld van de tomeloze energie die Cave deze avond tentoonspreidt — hij treedt op met hart en ziel en geeft werkelijk alles. Over anderhalve week, op 17 november, doet de Australische geweldenaar Amsterdam nog een keer aan. Voor iedereen die gaat: riemen vast!


Jubilee Street, 4 november 2013 HMH

woensdag 23 oktober 2013

Grijze stenen – Aflevering 3: moderne Olympische ruïnes

Over pak ’m beet drieëneenhalve maand beginnen de Olympische Winterspelen in Sochi. Zoals het hoort worden er nieuwe, hypermoderne stadions uit de grond gestampt voor het evenement; op http://www.sochi2014.com/en/games/places/ zijn heerlijk gladde artist impressions te zien van de liefst elf nieuwe sportlocaties die in de steigers staan, en die luisteren naar namen als “Fisht”, “Bolshoy”, “Iceberg”. De stadions en sporthallen zijn verdeeld over twee gebieden: de zogeheten Mountain Cluster en de Coastal Cluster. Tussen deze clusters wordt een railverbinding aangelegd, zodat de bezoekers binnen een half uur van het ene architectonische walhalla naar het andere vervoerd kunnen worden.

Allemaal leuk voor de liefhebbers van moderne bouwwerken, maar in deze reeks gaat het natuurlijk niet om mooie, nieuwe designgebouwen. In dit artikel aandacht voor een andere kant van de Olympische medaille: er zijn namelijk in de loop der jaren veel stadions en faciliteiten speciaal voor het grootste sportevenement van de wereld gebouwd om daarna, als ze niet meer nodig zijn, in onbruik te raken en gedoemd te zijn tot verval. Een rondleiding langs een aantal moderne Olympische ruïnes.

Allereerst: één van de zwembaden van de Spelen van 1952 in Finland. Erin zwemmen kan allang niet meer:

En wat te denken van het treinstation dat in München speciaal voor de Olympische Spelen van 1972 is aangelegd:

Twin City Photos

De baan waar tijdens de Winterspelen van 1984 bobsleeërs vanaf denderden, slingert nu als een vervallen betonnen gevaarte door de bossen in de buurt van Sarajevo, overwoekerd door planten:

Dark Optics

Karen Barlow via cloudlessness

In Athene, waar in 2004 de Olympische kermis neerstreek, zijn enorm veel in onbruik geraakte faciliteiten. Ergens wel toepasselijk, dat in de stad die al bekend staat om de vele overblijfselen uit de oudheid een nieuwe generatie ruïnes onderweg is. Aan de archeologen van de toekomst wordt vast gedacht!

Het Olympisch softbalstadion is sinds jaren verlaten, op het veld tiert het onkruid welig:

AP

Het trainingszwembad in het Olympisch dorp is overgenomen door kikkers:

AP

De wildwaterbaan waar in 2008 de kayakwedstrijden in Beijing op gehouden werden, was ook geen lang leven beschonken. De volgende foto’s zijn gemaakt in 2012: aan de toegangspoort hangt een roestig bord, de waterbak zelf is leeg en verlaten:

REUTERS/David Gray

Ook op het beachvolleybal lijken de Chinezen na 2008 uitgekeken te zijn. Het stadion waar de beachvolleybalwedstrijden gehouden werden is verlaten en wordt niet meer onderhouden:

REUTERS/David Gray

Zijn al deze in onbruik geraakte stadions, zwembaden, en andere sportfaciliteiten zonde van het geld en de moeite geweest? Misschien. Toch vind ik dat de eenzaamheid, de verlatenheid van de eens zo prestigieuze werken ook iets van charme heeft. Eigenlijk zijn deze Olympische bouwwerken zo eenzelfde lot beschoren als veel sporters: het ene moment is glorieus, het volgende moment is de oude kampioen vergeten en kijkt iedereen naar de nieuwe ster. Aan Kramer, Wüst, en de rest van de Nederlandse equipe de opdracht om dat niet te laten gebeuren in Sochi, volgend jaar februari. De gebouwen daarentegen mogen wat mij betreft best in vergetelheid raken — graag zelfs!

zondag 13 oktober 2013

Mooie woorden

Het is even stil geweest op deze site, maar daar is een goede reden voor: het nieuwe boek van Donna Tartt is namelijk verschenen. Ruim twintig jaar na haar debuut De verborgen geschiedenis, waarmee ze in één klap de wereld veroverde (mij incluis), en elf jaar na De kleine vriend, dat zeer hoog scoort op de lijst van boeken die mensen (mij incluis) slechts half uitlezen, heeft Tartt opnieuw een lijvig werk afgeleverd: Het puttertje telt liefst 900 pagina’s, gebundeld tot een vuistdik boek dat in ieder geval letterlijk “zwaar op de hand” is.

Kortom, afgelopen weken heb ik me in mijn spaarzame vrije tijd minder beziggehouden met schrijven en meer met lezen. Maar wie nu een uitgebreide recensie van Het puttertje verwacht, heeft het mis. Ik ben nog niet eens halverwege. Wel kan ik al zeggen dat het een heerlijk boek voor de herfst is: door de uitvoerige stijl van schrijven die we al kenden uit haar twee eerdere werken weet Tartt wederom als geen ander een situatie, een sfeer neer te zetten. In De kleine vriend was dit naar mijn mening veel te ver doorgetrokken, wat tot totale stilstand van het verhaal leidde. Het puttertje gaat ook in een loom tempo; maar met de regen tegen de ramen en de verwarming aan is het heerlijk om in het boek te duiken en opgenomen te worden in de wereld die de woorden van Tartt oproepen.

Voor woorden en uitdrukkingen die een bepaald beeld en een bepaalde sfeer oproepen, heb ik sowieso een groot zwak. Zo wilde ik een tijdje terug eigenlijk een stuk schrijven over de Ronde van Lombardije, de laatste wielerklassieker van het seizoen die vorige week zondag verreden werd. Deze ronde heeft namelijk een prachtige bijnaam: “de koers van de vallende bladeren”. Bij mij komen dan heerlijke beelden boven van een stil, voortrazend peloton over een weg waar her en der herfstbladeren liggen, een bewolkte hemel, misschien af en toe wat miezerregen, maar nog geen echte kou. Het punt is alleen dat ik verder vrij weinig te melden heb over de Ronde van Lombardije: ik heb de wedstrijd nog nooit gezien (heb hem afgelopen zondag ook gemist), ik zou niet weten wie er zoal meedoen en meededen, en ik weet ook niet of de weersverwachting voor Noord-Italië in eind september voldoet aan het beeld dat ik zojuist schetste. Eigenlijk het enige wat ik over de koers kan zeggen, is dat het dankzij de bijnaam mijn favoriete wedstrijd is. Overigens is deze bijnaam letterlijk vertaald wat duisterder: la corsa delle foglie morte, “de koers van de stervende bladeren”. Een positieve uitwerking van de stelregel “vertalen is veranderen”!

(Dat principe heeft me er trouwens niet van weerhouden om Het puttertje in Nederlandse vertaling te lezen; anders zou het volgende volledige artikel hier (dit stukje geklets beschouw ik niet als zodanig) waarschijnlijk pas verschijnen wanneer ik allang met pensioen ben!)

vrijdag 27 september 2013

Flowers & feathers

Zoals de meesten wel zullen weten ben ik wat betreft mode vrij behoudend. Ik koop shirts zonder enig gewetensbezwaar in drievoud, en was laatst heel erg blij omdat ik een nieuwe versie had weten te bemachtigen van mijn lievelingsbroek, die na een paar jaar intensief gebruik totaal versleten was. Het is dat er in die winkel nog maar één zo’n broek voorhanden was, anders had ik graag een voorraadje aangelegd zodat ik de rest van mijn leven voorzien zou zijn. Voor mij geen jumpsuits, leggings, of kledingstukken die in een museum voor moderne kunst niet zouden misstaan. Toch heb ik één langgekoesterde wens, die misschien zal verbazen — maar na zo lang in de klerenkast te hebben gezeten vind ik het nu wel tijd er uit te komen, of tenminste de deur op een kier te zetten. Het punt is namelijk, dat ik eigenlijk heel graag zo’n jasje wil dat Brandon Flowers in de clip van Human draagt (en waarmee hij elk concert van de bijbehorende Day&Age-tour aftrapte). Voor bij wie er niet meteen een lampje gaat branden, dat ziet er zo uit:

Epauletten. Met veren. Hoe vet is dat! Eigenlijk is de hele verschijning van Flowers in Human gewoon te cool voor woorden. Het merendeel van de tijd beweegt hij niet of nauwelijks, waardoor de veren nonchalant wat in de wind wapperen; het enige “dansen” (zover het die naam verdient) bestaat uit wat schokschouderen, een arm die met kleine, spastische bewegingen een omtrek maakt, wat rusteloos heen en weer geloop. Mr. Brightside kijkt ondertussen gepijnigd naar de grond, en vraagt zich af of we mens dan wel danser zijn. Fantastisch.

Toen ik dit onlangs opbiechtte aan een aantal teamgenoten, was het even stil. Toen zei één van hen: “zoiets als Gerard Joling, dus”. No way. Er is een groot, maar dan ook echt een héél groot verschil tussen dit:

En dit:

Het deed me denken aan de opmerking die iemand maakte tijdens een concert van Muse. De mannen kwamen toen op in volledig met LED-lichtjes bedekte pakken. De lichtjes gingen aan en uit en vormden patronen, alles op maat van de muziek. Ze hadden zonnebrillen op die in hetzelfde tempo meeknipperden, alles was bling, alles was volkomen over the top. Ik vond het geweldig, iemand anders merkte op dat de pakken bij de Toppers niet zouden misstaan. Tot zover de charme.

De vraag is dan wel: waar zit het verschil nou precies? Waarom vind ik een Brandon Flowers, die tot in de puntjes gestyled is, de meest foute kostuums draagt, en eyeliner opheeft het toppunt van coolheid, en vind ik een Gerard Joling met al zijn verenpracht maar overdreven en fout in de foute zin van het woord? Waarom sta ik te juichen bij een concert van Muse, waarbij Matthew Bellamy en co. als overdadig versierde kerstbomen het podium opkomen, en zou ik een dergelijke lichtjesshow willekeurig waar anders maar kitsch vinden?

Eigenlijk is het antwoord simpel; ik hou heel erg van de muziek van The Killers en Muse, en met hoe meer spektakel en show dit gepaard gaat, hoe leuker ik het vind. Het jasje van Brandon Flowers staat niet op zichzelf, het staat voor alle muziek die The Killers maken en alles wat ze uitdragen. Het is het jasje waarvan Flowers zelf zegt: “The feather epaulettes were my most fabulous style statement. When I get into the jacket I feel good and very triumphant.” Met zo’n jasje aan kan ook ik een rockster zijn, of me tenminste zo voelen. Mocht het zover komen, lieve mensen, dat ik in een jasje met veren op mijn schouders door de stad paradeer, zonnebril op, zelfverzekerde uitdrukking op mijn gezicht, dat ik ineens de sterren van de hemel dans en toonvast denk te kunnen zingen, laat me dan maar gewoon even uitrazen. Ik beloof dat zodra het jasje in de kast hangt en ik weer gekleed ga in de vertrouwde lievelingsbroek, alles weer bij het normale zal zijn.


De video van “Human”.


zondag 15 september 2013

“Here I am, not quite dying”

Op 8 januari van dit jaar werd één van de grootste artiesten aller tijden 66 jaar. Hij vierde dit met de hele wereld: na tien jaar min of meer radiostilte verraste hij met niet alleen een nieuwe single, maar ook met de boodschap dat dit nog maar het begin was — een nieuw album was op komst. Voorlopig moesten de fans het echter stellen met het nummer “Where Are We Now?”. Hierin zingt David Bowie (de echte fan had na de eerste zin natuurlijk al door over wie dit stuk zou gaan) met weemoedige stem over zijn voorbije tijd in Berlijn. De muziek gaat traag, met lang doorklinkende akkoorden. Bijbehorende videoclip toont een rommelige studio, met daarin een scherm dat oude beelden van Berlijn toont. Twee gezichten steken door het scherm heen, vormen de hoofden van aan elkaar vastzittende poppen die voor het scherm zitten: David Bowie, die de zang voor zijn rekening neemt, en een anonieme, onbeweeglijke vrouw. De camera zoomt ongenadig in op het getekende, gegroefde gezicht van Bowie, die met glinsterende ogen in de verte staart. De tekst wordt woord voor woord getoond, in ouderwetse typemachineletters. Het nummer ademt aan alle kanten nostalgie, en de titel — misschien vooral vanwege het vraagteken — roept een beeld op van een Bowie die niet langer op ramkoers de toekomst in stormt, maar tot stilstand is gekomen, om zich heen kijkt, en zich afvraagt of hij er nu is — waar dat ook moge zijn. Hij weet het zelf ook niet.

Ik wist niet wat ik van het album moest verwachten. Wilde Bowie van een afstand op het verleden terugblikken, in lijn met “Where Are We Now?”? Of zou het juist vernieuwend zijn? Zou het gemaakt zijn met de insteek dat het zijn laatste album ooit zou zijn? Zou het gevuld zijn met melancholische nummers over de verloren tijd? Ik had geen flauw idee, en eigenlijk was ik er een beetje bang voor: één voortkabbelend nummer dat zwart-wit beelden oproept vind ik mooi maar voldoende.

Twee maanden later werd de plaat dan gelanceerd. Na een blik op de tracklist, met titels als “The Next Day”, “Dancing Out of Space” en “(You Will) Set the World on Fire” verwachtte ik helemaal geen rustige muziek meer: er gaat geknald worden! Het eerste nummer, de titelsong “The Next Day” bevestigt dit vermoeden direct. Met elektronisch vervormde stem doet Bowie alle twijfel die hij in “Where Are We Now?” zelf opwierp direct verstommen. “Here I am, not quite dying […] And the next day, And the next, And another day!” De toon is gezet. Bowie heeft de wereld andermaal op het verkeerde been gezet: na eerst jarenlang zo geheimzinnig te doen over überhaupt de productie van een nieuwe plaat, en dan “Where Are We Now?” als eerste single te lanceren, opent hij vervolgens het album met een nummer waar de energie van alle kanten uit schiet. Het maakt de opwinding over de nieuw uitgebrachte nummers des te groter.

“The Stars (Are Out Tonight)”, het derde nummer van het album, maakt nogmaals duidelijk wat Bowies state of mind is. In dit nummer tiert de zanger over de nietaflatende, opdringerige aandacht voor sterren. Bij het nummer hoort een heel mooie, verhalende videoclip, waarin een vrouwelijk model (!) de rol van de jonge Bowie speelt. Aangezien de tekst duidelijk ook over het leven van de maestro zelf gaat, is de uitroep “But I hope they live forever!” die verschillende coupletten afsluit van des te meer waarde. Hoezo, einde van de carrière en terugkijken op verstreken tijd?

Een ander nummer dat een aparte vermelding verdient, is “How Does the Grass Grow?”, een nummer met een strakke maat en dito zang — Bowie klinkt scherp en is duidelijk in vorm. De nummers zijn bepaald niet op de automatische piloot gemaakt, maar met een vuur dat na bijna vijftig jaar carrière nog niets heeft afgedaan. The Next Day, kortom, is een ware traktatie voor de Bowiefans en een absolute toevoeging aan het al zo omvangrijke œuvre van de man met de vele verschijningsvormen.

De discussie die vervolgens oplaaide, ging over een eventuele tour ter ere van het nieuwe album. Zelf heeft Bowie gezegd dat hier geen sprake van is; zijn laatste tour, uit 2004, werd voortijdig afgebroken wegens gezondheidsproblemen. Hij heeft zelfs een (kort) optreden geweigerd tijdens de openingsceremonie van de Olympische Spelen, vorig jaar in Londen. Maar inmiddels is duidelijk dat van David Bowie alles te verwachten valt. Hij heeft de regie volledig in eigen handen. Wij kunnen alleen maar hopen dat hij op zijn 67e verjaardag weer groots uitpakt!


“Where Are We Now?” en (de uitgebreide versie van) “The Stars (Are Out Tonight)”




dinsdag 10 september 2013

Nick Cave

Terwijl ik dit schrijf, luister ik naar het nieuwste album van Nick Cave & The Bad Seeds, Push The Sky Away. Super mooi! Voor wie hem niet kent: Nick Cave is een Australische zanger, poëet, en schrijver. Hij is voornamelijk bekend in combinatie met zijn band The Bad Seeds. Kenmerkend voor zijn muziek zijn de poëtische teksten; veel zijn overgoten met een sausje van zwarte gal (denk aan het album Murder Ballads, waarop, inderdaad, hoofdzakelijk over moord gezongen wordt), maar er zijn heus ook lichtere nummers. Bijvoorbeeld Nature Boy, één van mijn favorieten, waarin (kort door de bocht) de ontmoeting met een droomvrouw bezongen wordt. Ik las ooit hoe in de lyrics op meer of minder expliciete wijze de teksten van klassiek Griekse dichteres Sappho aangehaald worden, en hoe de droomvrouw als een moderne Aphrodite gepresenteerd wordt. Dat vind ik nou echt leuke dingen — over het voortleven van de klassieken in moderne literatuur en muziek zal ik in de toekomst zelf vast ook nog schrijven.

Maar goed, Nick Cave dus. In een notendop: hij heeft inmiddels al 21 studio-albums op zijn naam staan, waarvan 17 in samenwerking met The Bad Seeds, heeft twee romans uitgebracht (bij de laatste kan een app gedownload worden; “the result sits somewhere between a film soundtrack, a radio play and an hallucination” aldus de meewerkende kunstenaars), en hij heeft het scenario van de film Lawless geschreven, die in 2012 op het filmfestival van Cannes in première is gegaan. Eén van zijn bekendste nummers is een duet met mede-Australiër Kylie Minogue, “Where the Wild Roses Grow”. Een nummer dat heel lieflijk begint, maar waarin het mooie meisje uiteindelijk wordt doodgeslagen met een steen. Meer op persoonlijk vlak: hij heeft zijn vader verloren in een verkeersongeluk toen hij 21 was, kan PJ Harvey tot zijn exen rekenen, kent een aardig heroïneverleden, en heeft verschillende kinderen bij verschillende vrouwen. (Zoon Jethro timmert opvallend genoeg — zijn vader is nou niet bepaald moeders mooiste — aan de weg als model.) Kortom, een authentieke rocker en creatief multitalent. Een icoon, dat inmiddels ook: al meer dan dertig jaar verrijkt hij de wereld met zijn muziek en teksten.

Afgelopen zomer vormden Cave & co. de zondagafsluiter van Lowlands. Ik was er niet bij (überhaupt niet bij Lowlands), maar volgens de recensies was het optreden fenomenaal. Een greep uit de reacties: “verpletterend” (Volkskrant), “een van de meest charismatische performers op aarde [...] bezwerende show [...] absoluut hoogtepunt” (3voor12.nl), “Nick Cave is de baas van Lowlands” (nu.nl). Dat belooft veel goeds voor de Push The Sky Away-tour, die dit najaar op de agenda staat! Op 4 november wordt Amsterdam aangedaan voor een extra concert, nadat het eerder geplande concert op 11 november al binnen een dag uitverkocht was. Voor dat concert was ik te laat met kaarten kopen, maar... voor het extra concert heb ik inmiddels tickets binnen! Begin november zal ik de geweldenaar dus live in actie zien. Wordt vervolgd!


Het eerste nummer van het nieuwe album, “We No Who U R”, en het eerder genoemde “Nature Boy”.




woensdag 28 augustus 2013

De Nederlandse berg

Alpe d’Huez eind augustus. De Tour de France-kermis is allang voorbijgetrokken, het toeristenseizoen loopt op zijn einde. De camping heeft haar snackbar al gesloten, maar het zwembad is nog wel open — er is geen sluitingstijd, want met zo’n dunbevolkte camping is de kans op overlast nihil. In de receptie hangt een Rabobank-wielershirt, met twee foto’s van Laurens ten Dam erbij. Ik informeer of het zijn shirt is, dat daar hangt. Dat blijkt het geval — de camping is de vaste stek van Ten Dam en zijn familie, als ze in de buurt zijn. De ogen van de campingbazin schitteren als ze een van de foto’s pakt en op de balie voor me legt. “Gekregen van zijn vrouw,” vertelt ze trots. “Ze waren hier deze zomer nog, zijn ouders waren er ook. En hij en zijn vrouw hebben een klein kindje nu, dat net kan lopen. Echt een schatje. Kijk, hier staat hij in zijn nieuwe tenue op; dit shirt hier is nog uit de tijd van de vorige sponsor.”

Als ik naar het nabijgelegen dorp loop, zie ik de vervaagde resten van op de weg geschilderde aanmoedigingen. “Bau en Lau” lees ik meerdere keren, over de hele breedte van de weg gekalkt. Stille herinneringen aan een mooie sportzomer. In het dorp zelf is het stil, uitgestorven haast. De supermarkt is lachwekkend groot, met veel kassa’s voor weinig klanten. Ik vraag me af of ze de hagelslag en de appelstroop uit het schap “Produits hollandaises” nog kwijt zullen raken. Nou ja, anders volgend jaar wel. Een groot hangbord geeft aan waar “Mineraalwater en bier” te vinden is. Pas als ik het bord voor een derde keer voorbij loop — er zit logica noch efficiëntie in mijn routes in de supermarkt — valt me de vreemdheid op, van een Nederlandstalig bord in een Franse supermarkt.

Sowieso vind ik het allemaal wat vreemd, zo’n Nederlandse berg in de Franse Alpen. Bij de beklimming rijden we over tientallen aanmoedigingen heen, niet alleen voor de Tourrenners die de berg afgelopen zomer in een etappe twee keer aandeden, maar ook voor deelnemers aan de Alpe HuZes — dat massaevenement waarbij deelnemers proberen op een dag de berg zesmaal op te rijden, om geld in te zamelen voor de kankerbestrijding. “Leonie, voor mama”, lees ik. “Frank Harry Tom Jan Harold HELDEN” staat er verderop onder elkaar. “Koffie met appeltaart” zegt een bord naast de weg. Waar ben ik beland? Ik fiets maar door. Na 21 bochten zijn we dan op de top. Echt ervan genieten doen we niet, aangezien het inmiddels begonnen is met regenen, en het boven op de berg een stuk kouder is dan beneden. Daarnaast heb ik hevige kramp in mijn bilspieren. Wanneer de ergste pijn gezakt is, en we tot de conclusie komen dat het geen zin heeft te wachten tot het droog is, trek ik mijn windjackje aan en zetten we de weg naar beneden in. Tijdens de afdaling over de natte wegen prijs ik mezelf gelukkig dat ik dit niet temidden van duizenden anderen hoef te doen; het is al eng genoeg om met een snelheid van 60 km/uur met verkrampte vingers van de kou en een schuddende fiets van het beven de remmen in te knijpen voor een haarspeldbocht. Na een aantal kilometer wordt het gelukkig aangenamer. De wegen zijn droog, de lucht voelt warmer aan. Ik tril niet langer, maar krijg het plezier in het dalen weer terug. Snelheid maken op de plekken waar je overzicht hebt, bijremmen bij het aanzien van een bocht, opletten of er geen tegenliggers aan komen, de ideale lijn bepalen en inzetten, remmen los en weer verder suizen.

Dat was gisteren, vandaag houden we een rustdag. Sebastiaan wilde wat voor zijn werk doen, ik heb mezelf bij het zwembad geïnstalleerd. Er heerst een heerlijke rust; gedurende de uren dat ik hier zit, zijn er tussen de twee en tien andere gasten. Genoeg om je niet verlaten te voelen, te weinig om het druk te noemen. Bovendien zit iedereen aan de linkerkant van het bad, in de volle zon, waar ik aan de rechterkant zit, met mijn bovenlijf in de schaduw van een heg. Een paar kinderen doen zwemwedstrijdjes, maken bommetjes, stampen wild in het rond in het ondiepe gedeelte. Hun gelach en gespetter zijn samen met het geklater van de fontein in het ondiepe bad de enige geluiden die ik hoor. In de verte kan ik een klein stukje van de weg zien, waar zo nu en dan een wielrenner langsflitst. Morgen hebben we de Col de la Croix de Fer op het programma staan. Tot die tijd beweeg ik maar zo min mogelijk, immers, “de Tour win je in bed.” In dit geval: op de ligstoel.

zaterdag 24 augustus 2013

Lingo. L-I-N-G-O.

Lingo, wie is er niet groot mee geworden? Ik herinner me in ieder geval nog goed hoe we vroeger thuis naar het spel keken, waarbij toen nog woorden van vijf letters moesten worden geraden. De presentatie lag nog in handen van François Boulangé — ik was er (net als half Nederland, volgens mij) van overtuigd dat hij in werkelijkheid gewoon “Frans Bakker” heette, ik heb hem zelfs meerdere keren hardop uitgelachen om de wat knullige artiestennaam. Laatst kwam ik erachter dat de beste man écht François Boulangé heet.

Inmiddels is François Boulangé allang niet meer het gezicht van Lingo, en zijn de vijfletterwoorden ook verleden tijd. Toen ik in 2007 mijn debuut maakte bij het populaire woordspel (want ja, ik heb een tv-carrière die uit een eenmalige deelname aan Lingo bestaat), moesten er zesletterwoorden geraden worden. Na een nek-aan-nekrace tegen Luuk en Loek mochten Vera en ik de finale in, die we helaas niet wonnen. Ons prijzengeld bleef staan op het bedrag dat we in de voorronde bijeen hadden gespeeld, en dat we eigenlijk al lang vóór de opname driedubbel verbrast hadden, immers, “we gaan toch 5000 euro winnen bij Lingo.”

Vorige week zaterdag hebben Vera en ik voor een tweede keer meegedaan aan een selectiedag van Lingo, dit keer met een ander koningskoppel: Nienke (collega) en Sabine. Zij hadden ook al eens nationale bekendheid vergaard dankzij Lingo-deelname, en na een avond waarop we met zijn vieren onze beide uitzendingen nog een keer bekeken hadden, ontstond het idee om aan Lingo te vragen of we nog een keer mee mochten spelen, en dan tegen elkaar. Zo gezegd, zo gedaan: Nienke stuurde een lekker weeïge brief met ons verzoek. Hoewel we bedacht hadden dat het goed voor onze kansen zou zijn als we zouden zeggen dat we elke zondagochtend met zijn vieren aan nordic walking doen (met elke stap woorden repeterend), en dat er deze zomer een bridgecruise over de Rijn op de planning staat, besloot Nienke dat we dat misschien beter tijdens de selectiedag of tijdens de opname als troef op tafel zouden kunnen gooien. Lingo was hoe dan ook overtuigd, we kregen al snel een uitnodiging voor een selectiedag.

We moesten zowel vijf-, zes-, zeven-, als achtletterwoorden leren, want die zouden in de test allemaal aan bod komen. Goed. Op een brakke zondag hebben Vera en ik ter voorbereiding wat afleveringen “Lingo nieuwe stijl” gekeken, en verspreid over een aantal weken hebben we lijsten opgesteld met behulp van het Lingo woordenboek (ja, natuurlijk heb ik die) en het onvolprezen www.lingowoorden.nl. Dat de voorbereiding niet optimaal was, bleek tijdens de treinrit naar Hilversum: zo stonden op de lijst van achtletterwoorden ook woorden met negen letters (bijvoorbeeld “quadrupel” — wel mooi) en zeven letters (“ijsberen” — de lange ij geldt als één letter).

Maar we lieten ons niet ontmoedigen en gingen vol vertrouwen de koffieruimte binnen. Er hing een vrij gespannen sfeer; tweetallen zaten aan tafeltjes met de hoofden dicht bij elkaar te smoezen, iedereen loerde om zich heen om de concurrentie te peilen. Na een kwartier in deze zenuwachtige atmosfeer te hebben gehangen begonnen wij toch ook wel een beetje nerveus te worden. Maar we hielden vast aan het bekende motto “hoe moeilijk kan het zijn?” en waren min of meer zeker van onze zaak.

Voordat we aan de schriftelijke test moesten, moesten we als publiek fungeren bij een andere opname. Godzijdank kon je hier niet op zakken, want anders had ik het voor ons allemaal verpest nog voordat we maar één woord op papier hadden kunnen zetten. Ik zat namelijk aan het gangpad, waar de kandidaten langslopen als ze aan het begin van het programma worden voorgesteld; ze doen dan high-fives met het publiek. High-fives zijn heel erg leuk als ze goed worden uitgevoerd, maar een slechte high-five maakt de situatie alleen maar ongemakkelijk. Dit laatste was het geval. Bij de eerste take had ik alleen mijn rechterhand opgeheven om te klappen, maar kwamen de deelnemers met twee handen in de aanslag langs, en bij de tweede opname was het precies andersom. Lekker dan. We sloegen half mis, geen van ons wist zich een houding te geven. En dat terwijl de camera draaide. Om de situatie te redden gilde ik maar enthousiast “zet ’m op!”, maar daar leken de deelnemers alleen nog maar erger van te schrikken. Ze gingen roemloos af na een paar rondes te schutteren en woorden van de verkeerde lengte te stotteren.

Maar wij lieten ons niet van de wijs brengen en bezetten even later de beste plek in de ruimte waar de test gehouden werd; achterin en met zijn allen bij elkaar. We voelden ons weer als middelbare scholieren die een proefwerk moeten maken. De tests werden uitgedeeld, en het volgende kwartier zaten we als gekken te schrijven; voor elke pagina kreeg je anderhalve minuut waarin je zoveel mogelijk woorden moest invullen met een bepaalde begin- midden- en/of eindletter. Toen ik ergens halverwege een pagina vastliep en geen woord meer kon bedenken, trilde mijn hand ongeremd door. Het zweet stroomde over mijn rug, mijn ogen schoten de vellen over, en adrenaline en bloeddruk stegen tot ongekende hoogten. Wat nog maar eens bevestigt dat Lingo bepaald geen sport voor watjes is.

Na een kwartier vlammen zat de test erop en moesten we nogmaals de studio in om als klapvee te dienen. Ik maakte niet de fout nog een keer aan het gangpad te gaan zitten, maar zocht een veilig plekje ergens in het midden. Aangezien we net gevlamd hadden bij de schriftelijke test konden we beduidend minder enthousiasme opbrengen dan bij de eerste opname; waar we de eerste keer bij elke grabbel “grooooeeeen” loeiden, kon er nu net een laf applausje af als er daadwerkelijk een groene bal getrokken werd. Na deze opname kregen we de uitslag van de test: er gingen vier koppels door, waaronder de Nienke-Sabine-tandem, en de Vera-Heleen-combinatie. De eerste overwinning was hiermee al binnen! Na nog een kort gesprek met iemand van Lingo — om te kijken of er een spannend (maar wel algemeen geaccepteerd) gespreksonderwerp is voor tijdens de introductie — mochten we gaan. Ergens de week erop zouden we te horen krijgen of, en zo ja wanneer we daadwerkelijk de studio in zouden mogen. Lingo wil namelijk qua kandidaten min of meer een afspiegeling van de samenleving hebben, dus als er teveel jonge, frisse topmodellen de selectie hebben doorstaan, dan moeten er alsnog wat afvallen.

Vandaag viel dan de envelop op de mat, met daarin goed nieuws: ze willen ons in de uitzending hebben! Publiek is welkom, dus mocht het je leuk lijken om een ochtend in de Lingo-studio “groen” te brullen, meld je vooral aan. Enige ervaring met enkelhandige high-fives is een vereiste.

maandag 19 augustus 2013

Grijze stenen – Aflevering 2: Grote nutteloze werken

Schreef ik in de vorige keer over een duister deel van Hong Kong, ditmaal zal ik het luchtiger houden. In deze aflevering aandacht voor een aantal zogeheten “Grands travaux inutiles”, afgekort “GTIs”, vertaald “Grote nutteloze werken”. Oftewel, grootschalige openbare werken die, al dan niet afgemaakt, jarenlang ongebruikt staan en volkomen nutteloos hun plek in het landschap innemen. De term “Grands travaux inutiles” is bedacht door Jean-Claude Defossé, een Belgische journalist die in 1990 het boek Le Petit Guide des Grands Travaux Inutiles publiceerde met daarin een overzicht van nutteloze bouwwerken in België. Ik hoorde er een paar jaar geleden voor het eerst over, toen Wessel de Jong in zijn zomercolumn voor de NOS een aantal liet zien. Ik heb toen hardop lachend voor de tv gezeten.

GTIs zijn namelijk eigenlijk grote grappen in het wild. Bruggen waar geen weg aan vast zit, metrostations waar nooit een metro langskomt, kanalen die feitelijk niets met elkaar verbinden... Het slaat allemaal helemaal nergens op, en daarom kun je er maar beter de lol van inzien. De (serieuze) vraag die zich daarna vrij snel aandient, is waarom? Waarom bestaan er zulke nutteloze grote bouwwerken, hoe kan dit? Kort door de bocht: vaak zijn GTIs gebouwd met het oog op een toekomst die zich toch iets anders dan gepland bleek te ontvouwen. Daarbij zijn in België veel GTIs het gevolg van de zogeheten “wafelijzerpolitiek” die de regering jarenlang bedreef. Dit hield in dat Wallonië en Vlaanderen evenveel subsidie moesten krijgen, ongeacht of de investeringen die ermee gedaan werden echt zinvol waren.

Mijn twee favorieten uit de uitgebreide GTI-collectie van onze zuiderburen:

Met stip op nummer één: de vrijstaande bruggen van Varsenare. Tussen Varsenare en Jabbeke stonden jarenlang twee onafgebouwde bruggen in het weiland. Ze werden in 1976/1977 daar neergezet, met het oog op een toekomstige autosnelweg van Kortrijk naar Zeebrugge. Deze weg kwam er echter nooit, mede door protesten van diverse milieubewegingen en landbouwers, en zo kon het dat de spookbruggen in al hun nutteloosheid daar maar gewoon stonden. Om de drie jaar werd gecontroleerd of de constructies nog veilig waren, met het oog op eventuele wandelaars en het treinverkeer dat onder één van de bruggen door raasde. De kosten voor onderhoud en inspectie waren echter vrij hoog, vooral gezien de totale nutteloosheid van de bruggen. Daarom werd in oktober 2011 de vrijstaande brug afgebroken; de brug over de spoorweg ging in januari 2012 tegen de vlakte. Eeuwig zonde, als je het mij vraagt.

Vrijstaande brug bij Varsenare.

Op een mooie tweede plaats: het spookstation Sainctelette in Brussel. Sainctelette is een metrostation in Brussel op lijn 2 en 6 dat nooit in gebruik is genomen. Er is meer dan tien jaar aan gewerkt — maar uiteindelijk besloot het vervoerbedrijf MIVB dat het station toch net te dicht op de aangrenzende stations Ribaucourt en IJzer ligt. Vanuit de metro zijn de (overigens onafgebouwde) perrons en trappen goed zichtbaar, en het station had zelfs al een (anoniem) plekje op de aankondigingsborden in de andere stations verworven (zie foto, rood omkaderd).

Aankondigingsbord van de Brusselse metro. Rood omkaderd de plek van spookstation Sainctelette.

Ook in Duitsland, toch het land van de verantwoorde uitgaven, komen GTIs voor. Voor vrijstaande bruggen hebben onze oosterburen zelfs een apart woord bedacht: “Soda-Brücke”, van “so da”, “zomaar”. Bij Castrop-Rauxel staat sinds 1978 een fraai exemplaar.

“Soda-Brücke” bij Castrop-Rauxel.

En ja, ook in Nederland zijn er veel nutteloze werken te vinden. Behalve ongebruikte tunnels, bruggen, en stations heeft ons land nog veel meer nutteloze pracht te bieden. Wat te denken van Kasteel Almere? In een uiterste poging Almere wat historisch cachet te geven, werd in 2000 begonnen met de bouw van een heus kasteel. Helaas bleken de kosten veel hoger uit te vallen dan gepland, en daarom werd het project in 2002 stilgelegd. Een jaar later gingen er stemmen op voor het bouwen van appartementen op de locatie, maar het bestemmingsplan stond al vast op “recreatie/horeca”. Bovendien, zo vertelde de gemeente, kón er ook eigenlijk niets anders dan een kasteel gebouwd worden, omdat de bouwtekeningen al in het bestemmingsplan opgenomen waren. In 2005 werd het project overgenomen door Gravin BV. Zij kwamen twee jaar later met het voorstel om naast de oorspronkelijke opzet — een trouwlocatie en horecagelegenheid — ook woningen op het terrein te realiseren. Helaas, de gemeente Almere wilde niet van het bestemmingsplan afwijken. Een plan om het bouwfiasco te redden is er tot op heden niet, en het kasteel ligt er nog altijd net zo half afgemaakt bij als in 2002. Toch is het eigenlijk wat voorbarig om het hele project als GTI te bestempelen, want, zoals een woordvoerder van de gemeente Almere zei: “Vroeger duurde het afbouwen van een kasteel ook wel eens honderd jaar”.

(Spook)kasteel Almere. Foto uit 2012.

vrijdag 9 augustus 2013

Grijze stenen – Aflevering 1: Kowloon Walled City

Ik heb altijd een fascinatie gehad voor gebouwen en bouwwerken. En dan heb ik het niet over hypermoderne wonderen als wolkenkrabbers die met de zon meedraaien, of oude pracht als die bekende fotogenieke toren in Pisa. Nee, wat mijn aandacht trekt zijn vervallen gebouwen, ontdaan van alle glorie zo die er ooit geweest is, troosteloze flats die de stille getuigen vormen van afgesloten hoofdstukken uit de geschiedenisboeken, of verlaten bouwwerken die slechts hun tijd lijken uit te zitten — tot ze door planten overwoekerd worden, dieren er hun schuilplaats in vinden, of de rand van de menselijke samenleving er haar plek in vindt (zo heeft het verhaal dat er onder New York in ongebruikte metrotunnels en -stations een “tweede stad” bestaat, bewoond door zwervers, junks, en andere randfiguren van de samenleving bovengronds, me mateloos geboeid).

Dit stuk is de aftrap van een serie artikelen die ik van plan ben te gaan schrijven. In elk artikel belicht ik één of meer gebouwen, bouwwerken, of — zoals in dit artikel direct het geval is — een heel stadsdeel.

In dit eerste artikel zal ik het hebben over Kowloon Walled City. Onlangs kwam ik op internet een artikel tegen over dit deel van Hong Kong, waar de steegjes zo smal en de flats zo hoog en zo wanordelijk gebouwd waren, dat er vanaf de grond geen hemel te zien was. Jarenlang was deze “stad in een stad” een vrijplaats voor junks, prostituees, criminelen, en andere randfiguren; de belangrijkste reden hiervoor was dat onduidelijk was onder welk gezag het stadsdeel viel. Afgelopen dagen heb ik me verder verdiept in dit onderwerp, waar ik voorheen nog niets vanaf wist. De geschiedenis is even fascinerend als afschuwwekkend.

Kowloon Walled City: stad in een stad

Oorspronkelijk was Kowloon Walled City een Chinees fort in het Hong Kongse stadsdeel Kowloon City District, waar de Chinezen geen afstand van wilden doen toen Hong Kong in 1842 in handen van Groot-Brittanië viel. Door aan dit ommuurde stadsdeel vast te houden, konden ze vanuit het centrum van het zojuist overgenomen Hong Kong de nieuwe machthebbers in de gaten houden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog viel Hong Kong, en daarmee ook Kowloon Walled City, in Japanse handen. In deze periode werden de vestigingsmuren afgebroken, omdat de Japanners bouwmaterialen nodig hadden voor de aanleg van een vliegveld in de buurt.

Na de Tweede Wereldoorlog was de territoriale status van het stadsdeel schimmig; de Chinezen beschouwden Kowloon Walled City als een onderdeel van haar territorium, maar hadden er feitelijk geen gezag, terwijl het gebied ook weer geen deel was van het Britse Hong Kong. Invallen van de Hongkongse politie in het gebied, hoe noodzakelijk ook, leidden tot felle diplomatieke protesten vanuit China. De combinatie met de openlijk anti-Britse sfeer en de ondoorgrondelijke duisternis in het labyrint van kleine steegjes zorgde ervoor dat de Britse autoriteiten al snel hun grip verloren op Kowloon Walled City. Van 1950 tot 1970 lag de werkelijke macht dan ook in handen van Hongkongse-Chinese criminele organisaties, de zogeheten Triades.

Kowloon Walled City. Op de achtergrond de moderne wolkenkrabbers van Hong Kong.
Kowloon Walled City.

De bevolking groeide explosief, aangezien van alle kanten vluchtelingen, prostituees, en criminelen toestroomden naar dit wetteloze stadsdeel. In 1987 woonden er liefst 33.000 inwoners in het gebied, dat slechts 210 bij 120 meter telde. De flatgebouwen stonden zij aan zij, en telkens werden er maar weer nieuwe verdiepingen bovenop gebouwd. Onderling waren de flats verbonden door loopbruggen — het was mogelijk om heel Kowloon Walled City van noord naar zuid te doorkruisen zonder maar één keer de grond te raken. Zonlicht drong amper tot niet door in de steegjes, die vaak slechts één à twee meter breed waren, en uit lekkende leidingen en airco’s drupte onophoudelijk water naar beneden. De woningen waren piepklein, vochtig, en vaak niet voorzien van een raam. Alleen de bewoners die het geluk hadden aan de buitenkant van Kowloon Walled City te wonen, vingen zonlicht vanuit hun aangebouwde balkons, die als een soort kooien aan hun flats hingen. Jackie Pullinger, een Britse missionaris die jarenlang een kliniek voor drugsverslaafden in de wijk runde en er zelf ook woonde, zei over Kowloon Walled City: “It’s a very unhealthy place. I live here, and my room is wet, all the time. I don’t know if it’s night or day when I wake up. I take the telephone then, and ask. I also ask about the weather.”

In Standaardkantonees werd Kowloon Walled City vaak aangeduid met Wôong, Toow, Tok — “prostitutie, gokken, drugs”. Dit was niet voor niets. Sexshops, duistere gokruimtes, en narcoticalaboratoria waren overal te vinden. Ook stond Kowloon Walled City bekend om de goedkope dokters en tandartsen die er opereerden: geen enkele instantie die om diploma’s vroeg, of die in de gaten hield wat er nou precies gebeurde in de smoezelige achterkamertjes die dienst deden als operatieruimte. Er was geen politie, er waren geen wetten.

Toch was er wel degelijk een zekere orde in Kowloon Walled City. De eerder genoemde Hongkongse-Chinese maffia had de touwtjes in handen, en zolang de inwoners een bepaald bedrag aan hen afdroegen, handhaafden zij de orde. Verreweg de meeste inwoners waren zelf niet betrokken bij criminele activiteiten. Zij leefden een hard, maar eerlijk leven in de flats. Er waren veel eenmanszaken, bijvoorbeeld voor de productie van noodles, plastic tassen, of namaakartikelen zoals horloges. Omdat er geen voorschriften waren omtrent de werkomstandigheden, maakten de bewoners veelal werkdagen van zo’n twaalf uur. Als een menselijke robot, niet gehinderd door enige veiligheids- of hygiënevoorschriften, produceerden ze goederen die in de rest van Hong Kong en ver daarbuiten gretig aftrek vonden. Nergens was productie zo goedkoop als in Kowloon Walled City — de economie van Hong Kong, die wonderbaarlijke snel groeide, heeft hier veel profijt gehad.

Maar Kowloon Walled City was boven alles een hoofdpijndossier voor zowel de Britse als de Chinese overheid. De erbarmelijke levensomstandigheden van de inwoners, de smerigheid in het stadsdeel, de wetteloosheid die er heerste — de regeringen konden niet voor eeuwig hun ogen gesloten houden. In 1987 werd bekend gemaakt dat Kowloon Walled City gesloopt zou worden. In de daaropvolgende jaren werd de bevolking gerehabiliteerd, en in maart 1993 begonnen de sloopwerkzaamheden. Een jaar later waren alle flats met de grond gelijk gemaakt.

Op de plek waar tienduizenden mensen opeengepakt leefden in krappe, donkere woningen zonder fatsoenlijke sanitaire voorzieningen, waar zonlicht noch overheid in de smalle steegjes kon doordringen, waar criminaliteit en prostitutie welig tierden, is een park aangelegd. Een park met grasvelden en vijvers, met allerlei soorten planten, met metersgrote schaakborden en met paviljoens om te eten, te drinken, en bruiloften te vieren. Groter kan het contrast niet zijn.

Links: steegje in Kowloon Walled City. Rechts: een klein stukje hemel is te zien vanaf de grond.

Onderstaande documentaire uit 1989 geeft een rondleiding door Kowloon Walled City. Zeer indrukwekkend!


vrijdag 26 juli 2013

Met zonnebril en al de bekende valkuil in

Het overkomt iedereen wel eens: je loopt nietsvermoedend door de stad, twijfelt een beetje of je je zonnebril op moet houden (want: blits modelletje) of af moet zetten (want: zware bewolking) en mijmert een beetje over het menu van die avond, als er plotseling iemand voor je springt, met twee gestrekte armen naar je wijst, je met wijdopengesperde ogen aanstaart en “Jij bent de uitverkorene!” roept. De meeste mensen weten dan wel hoe laat het is; ze glimlachen afgemeten, zeggen iets in de trant van “nu echt even geen tijd” en lopen gauw door. Helaas, zo snel kan ik niet omschakelen. Ik zat nog middenin de afweging zonnebril op—zonnebril af, en twijfelde tussen pasta en taco’s voor die avond. “De uitverkorene” belandde middenin een zwalkende stroom gedachten en werd er moeiteloos in opgenomen. Ik? De uitverkorene? Waarom dan? Nou ja, waarom ook niet? Maar waarvoor dan?

Ik stopte met lopen en keek het meisje dat zo ineens voor me was gesprongen aan. Ik kon niets uitbrengen, ik keek haar alleen maar verward aan — maar van mijn verwarring was dankzij mijn blitse modelletje zonnebril niets te merken. Lang leve spiegelende glazen! Ik raakte hem even aan, omdat de gedachte door mijn hoofd schoot dat het wel zo beleefd is om voor een gesprek je zonnebril af te zetten — maar direct daarna bedacht ik dat ik de ander überhaupt niet kende, dat zij ineens op mij afsprong en me zomaar aansprak, en dat als ik mijn zonnebril afzette ze direct in mijn ogen de paniek (vermengd met een vleugje doodsangst) zou zien. Kortom, de zonnebril bleef waar hij zat.

“Ik heb vandaag al vier mensen enthousiast weten te maken voor Dokters van de wereld, en jij gaat nummer vijf worden!” riep ze vrolijk uit. Ik glimlachte wat ongemakkelijk. “Oh jee,” zei ik toen maar. “Hier in Nederland hebben we uitstekende gezondheidszorg,” begon ze het bekende verhaal. Ik deed mijn ogen dicht (onmerkbaar, want: spiegelende glazen) en luisterde half. Kon ik het maken alsnog weg te lopen? Had ik een zin als “I have to return some videotapes” (American Psycho) gereed? Eigenlijk niet. “Maar wat wil je nou precies van mij?” vroeg ik in de eerstvolgende stilte die ze liet vallen. “Ik wil jouw nummer, dan bel ik je volgende week en dan vliegen we naar Bangladesh om zieke mensen te helpen,” antwoordde ze. Ik keek haar aan. “Oké, is goed,” antwoordde ik. Nu was zij even stil. “Dat was natuurlijk een grapje,” herpakte ze zich weer. “Nee, zonder gekkigheid, we zijn op zoek naar mensen om ons te steunen met een maandelijkse bijdrage.”

Tien minuten later capituleerde ik. Ik had nog tegengestribbeld door te stellen dat ik principieel (met dat woord win je altijd!) geen maandelijks abonnement op een goed doel wilde — dat ik best eenmalig wat wilde doneren, maar dat ik nergens aan vast wilde zitten. Maar ja, als ik het bedrag dat ik bereid was te storten nou gewoon uitspreidde over een kwartaal, en dan de boel opzegde? “Nee, ik ken mezelf, dat laat ik dan weer versloffen,” probeerde ik nog. Maar het meisje bood aan me persoonlijk een mail te sturen als de vier maanden voorbij waren. Wat viel daar nog tegen in te brengen? Ik mompelde nog wat onduidelijks, mijn ogen schoten achter mijn blitse modelletje heen en weer op zoek naar een uitweg, maar ik zat al te ver in de fuik. Het meisje had er inmiddels een formuliertje bijgepakt. Schoorvoetend gaf ik mijn gegevens prijs — ik dacht er nog even over om een cijfertje hier en een lettertje daar te veranderen, maar dat zou pas echt tegen mijn principes zijn.

Nadat ze tenslotte mijn handtekening ontfutseld had, werd ik weer vrijgelaten en kon ik verder lopen. Het was zeker niet de eerste keer dat ik in de stad vastgelegd werd voor het één of andere goede doel. En ja, ik weet het, eigenlijk wordt van het geld dat ik doneer vooral die sympathieke student uitbetaald die mij met een leuke lach en een vlotte babbel weet te strikken. En de rest gaat naar de topman van het fonds, die op een gouden toiletpot piest en van wiens jaarsalaris de gehele derde wereld dagelijks een viergangendiner voorgeschoteld zou kunnen krijgen. Maar ja, ik blijk keer op keer weer erg vatbaar te zijn voor zielige verhalen (denk aan een combinatie van kindjes, hazenlipjes, en Bangladesh) en steekhoudende argumenten (het is écht heel belangrijk).

Toen ik mijn weg door de stad vervolgde, baalde ik ervan dat ik voor de zoveelste keer dezelfde valkuil ingetuimeld was. Omkijken durfde ik niet, maar ik weet zeker dat ik de high-five hoorde die het meisje met haar collega-ronselaar deed: weer een sukkel vast weten te leggen. In mijn hoofd zag ik de topman op zijn gouden toiletpot zitten, lachend en met een dikke sigaar tussen zijn vette lippen geklemd. Ik liep door met de staart tussen de benen. Gelukkig was ik van één dilemma af: de zonnebril bleef sowieso op om mijn laatste restje coolheid te bewaren. Nu de keuze pasta—taco’s nog.

woensdag 24 juli 2013

Ted King for President

Ik leerde Ted King ongeveer een jaar geleden kennen, tijdens één van mijn zwerftochten op het internet. Via een site met wielernieuws, een paar sites van Pro Tour-teams, en wat persoonlijke websites van andere professionele wielrenners kwam ik uiteindelijk uit bij King’s weblog, www.iamtedking.com – om er de komende uren niet meer weg te gaan. Ik verslond in één avond zo’n vier jaar aan artikelen die bol stonden van humor, zelfspot, en grappige observaties, en sloot uiteindelijk alleen maar af omdat mijn verantwoordelijkheidsgevoel (de wekker stond de volgende dag op acht uur) mijn snelgroeiende fascinatie nog net de baas was. De volgende dag zette ik tegelijk met het koffiezetapparaat de computer aan, en dook weer in King’s digitale dagboek.

Na een paar dagen had ik vrijwel elk artikel gelezen en was ik groot fan van de renner uit New Hampshire. Ted King is door zijn broer Robbie het wielrennen ingerold. Via de wielerploeg van zijn college, de Amerikaanse jeugdploeg, een Amerikaans continentaal team, en het Cervélo Test Team werd hij in 2011 in het Pro Tour-team van Liquigas-Cannondale (het huidige Cannondale) opgenomen. In deze ploeg is hij een domestique, een knecht: iemand die bidons met water bij de ploegwagen ophaalt, iemand die aan kop van het peloton rijdt lang voor de prijzen verdeeld worden, iemand die simpelweg als windscherm opgesteld wordt. Kort gezegd, geen man voor de overwinningen. Voor Ted King geen bloemen na afloop van een koers, geen zoenen van rondemisses en geen leven als een popster. Maar dat hoeft voor hem ook niet. Ted King geniet van het fietsen zelf, van koffie, maple syrup en lekkere wijn, van de reizen die hij dankzij zijn beroep mag maken, en van allerlei kleine dingen die hij als geen ander kan waarderen en waar hij als geen ander over kan schrijven.

Na een aantal weblogs van hem gelezen te hebben, is duidelijk dat Ted King één grote droom heeft: deelnemen aan de Tour de France. Vorig jaar in de zomer reed hij de Ronde van Polen, of zoals King zelf schreef: “the Tour de France East, which this year is seven days of racing all throughout Poland and curiously is more accurately called the Tour of Poland. […] The Tour of Poland […] is basically a who’s who of who’s not racing that three-week dealie in France right now.” Dit jaar mocht hij dan zijn debuut maken in de Ronde van Frankrijk. De honderdste editie, de eerste voor de dertigjarige Amerikaan. “The dumptruck full of awesome is headed to France!” aldus King

Van een droomdebuut was echter bepaald geen sprake. Al in de eerste etappe was de renner betrokken bij een valpartij, waar hij allesbehalve ongeschonden uitkwam: hij moest de Tour vervolgen met (onder andere) een zware schouderblessure. De tweede en derde etappe beet hij op zijn tanden en reed hij de ritten keurig in de laatste bus uit. De vierde etappe stond een ploegentijdrit gepland. Aangezien de houding op een aerodynamische tijdritfiets te veel pijn deed voor de gehavende King, ging hij van start op een gewone wegfiets. Voor wie de verschillende modellen niet voor zich ziet: dat is een wereld van verschil. Al in de eerste kilometers moest hij zijn ploeggenoten dan ook laten gaan: hij kon ze simpelweg niet bijhouden. Maar in plaats van zijn fiets naar de kant van de weg te sturen en in de ploegwagen te gaan zitten, ploeterde King zich in zijn eentje een weg over het parcours. Opgeven? Dat nooit. Na 32 minuten en 32 seconden afzien bereikte hij de finish – dat is een gemiddelde snelheid van 46 km/u, dat halen de meeste (amateur)renners alleen met stevige wind mee en bergaf. Maar de jury was niet onder de indruk. 7 seconden buiten de tijdslimiet, zo stelden ze kil vast. Ted King moest de Tour de France verlaten.

Maar reglementen zijn in het wielrennen eigenlijk nooit in steen gebeiteld. Finishlijnen kunnen ineens verlegd worden, en er worden her en der wat tijdstraffen uitgedeeld of tijden juist naar beneden bijgesteld. Bovendien heeft de jury in het verleden vaker met de hand over het hart gestreken: in 2011 heeft bijvoorbeeld een groep van 88 renners, waaronder topsprinter Mark Cavendish, clementie gekregen terwijl de tijdslimiet van die etappe met bijna twee minuten overschreden was. Wat de zaak-King nog extra wrang maakt, is dat de fietscomputer van King zelf een andere tijd aangaf dan de tijd die de jury hanteerde. Volgens Kings eigen meting was hij binnen de limiet gebleven.

Er is veel geschreven en gezegd over dit voorval. De interviews met een geëmotioneerde King, waar de verslagenheid vanaf droop, gingen de hele wereld over. Eigenlijk was iedereen het er over eens dat King een rolmodel voor het wielrennen is: op de fiets kan hij ontzettend afzien en knokt hij voor wat hij waard is, en tegelijkertijd is hij buiten de koers zo bereikbaar, zo menselijk. Voor het eerst sinds lange tijd heeft het wielrennen weer een renner waar ze zonder voorbehoud trots op mag zijn, zo klonk het. Op Twitter werd massaal de hashtag “#LetTedRide” gebruikt, en ook via Facebook en andere sociale media stroomden de steunbetuigingen aan de Cannondale-renner binnen. Ook ik besloot een mail te sturen. Ik vertelde hem hoe verschrikkelijk zonde ik het vond dat hij uit de Tour de France gezet was (en, welja, dat ik zeker was dat heel Nederland het met me eens was), dat ik sinds tijden trouw lezer ben van zijn weblog, en mijn virtuele tourploeg naar hem vernoemd heb: “Ted King for President”. Niet een heel bijzonder verhaal, waarschijnlijk kreeg hij honderden van zulke steunbetuigingen, maar toch leuk om te lezen. Binnen twee uur kreeg ik antwoord:

Thank you Heleen. Your email means a lot to me right now.

Best,

Ted

Voor mij maken renners als Ted King het wielrennen de moeite waard. Ze laten zien dat wielrennen meer is dan hard fietsen. Ze laten zien dat wielrennen, net als alle sporten overigens, emotie is, en dat wielrenners ook maar mensen zijn die net als iedereen vallen, weer opstaan, en hun dromen verder achterna jagen. En ik hoop dat de droom van Ted King volgende zomer écht uitkomt, en hij na drie weken koers de Champs-Elysées op mag rijden. Wat zal de champagne dan goed smaken.

Lana del Rey in de Heineken Music Hall –
Uitzinnig publiek, matige muziek

Woensdag 29 mei trad Lana del Rey op in een uitverkochte Heineken Music Hall, en ik was één van de gelukkigen met een kaartje. Tussen het voorprogramma – vier mannen met gitaren – en de hoofdact in, had ik uitgebreid de tijd om de rest van het publiek te bestuderen. Een grove indeling was snel gemaakt: 80% jonge meisjes, 10% meegesleepte vriendjes, en nog eens 10% homo’s. De gesprekken die ik opving waren vermakelijk en verrassend, aangezien ik normaal gesproken nooit tussen een mensenmassa met een dergelijke samenstelling sta. “Ha-haa! Zie je die jongen daar verderop?” kraaide een gezellige homo achter me. “Die met dat witte pluizige shirt aan. Een albino-pino! Ha-haa!” Ondertussen probeerden twee jonge meisjes zich door het publiek naar voren te worstelen. “Ik vind eigenlijk wel dat ik recht heb op een plek vooraan,” stelde één van hen. “Ik ken echt ál haar nummers uit mijn hoofd.” “Ze is zó perfect,’ zuchtte de ander. De pogingen om dichter bij het podium te komen strandden echter al snel, ondanks het herhaaldelijke luide verkondigen van het eerste meisje dat ze toch echt wel recht had op een plek aan het podium.

Dat podium zag er inmiddels uit als een rariteitenkabinet uit vervlogen tijden. Er stonden twee stenen leeuwen, een vintage klerenkast waar flarden stof – spinrag? – uit hingen, een manshoge kandelaar met scheve, stompe kaarsen, palmbomen... Toen Lana del Rey uiteindelijk zelf het podium betrad reageerde het publiek onmiddellijk met uitzinnig gegil, dat minutenlang aanhield. De zangeres ging gekleed in een wit jurkje met lange mouwen en vrij zicht op de oneindig lange benen. In haar haar droeg ze een bijpassende hoofdband. Haar klassieke jaren ’50–’60-uitstraling, vol verlangen naar oude, vervlogen tijden, paste perfect in de nostalgische sfeer die het podium ademde.

Ze glimlachte, genietend van de massahysterie die ze teweegbracht, maar tegelijkertijd kwetsbaar, haast verlegen onder het geflits van de camera’s en het gejoel van de fans. Zo nu en dan keek ze dan ook bedeesd naar de grond – om even later sexy heupwiegend over het podium te paraderen. Het concert werd afgetrapt met twee nummers die niet afkomstig waren van de hit-cd “Born to Die”, en dat was te merken aan de respons van de zaal: er werd weinig meegezongen maar des te meer gegild. Vanaf het derde nummer, de hit “Blue Jeans” werd er meer meegezongen. Toch verstomde het gegil nooit helemaal; er werd altijd wel ergens in het publiek uitzinnig gekrijst.

Tussen de nummers door nam Del Rey uitgebreid de tijd om het publiek te danken voor de hartelijke ontvangst en het enthousiasme. Ze was vaak bij de eerste rijen te vinden om handen te schudden, te poseren voor foto’s, en de adoratie van dichtbij over zich heen te laten komen. Leuk voor de fans die vooraan staan en nu mooie foto’s op hun smartphones hebben staan, minder leuk voor de overige 85% van het publiek. Deze tijdrovende uitstapjes hadden helaas ook tot gevolg dat er weinig nummers uitgevoerd werden. In totaal speelde Del Rey slechts veertien nummers, waarbij een aantal meer up-tempo nummers als “Lolita” en “Off to the Races” geheel ontbraken. En dat is jammer, want wat stevigere nummers zouden een leuke tegenhanger zijn geweest van de ballads die ruimschoots aanwezig waren.

Daarbij waren de uitvoeringen die Del Rey ter gehore bracht verre van perfect, maar dat leek het uitzinnige publiek niet te deren: ook de valse noten en soms wat ongelukkige variaties werden met een ongekend enthousiasme begroet. Geholpen door het sfeervol ingerichte podium en het kwartet strijkers dat echt een extra dimensie aan het optreden gaf, zette Del Rey al met al een alleszins acceptabele show neer. Positieve uitschieters in de setlist waren de volledige uitvoering van “Ride” en de prachtige vertolking van “Young and Beautiful”. Het laatste nummer van de avond, “National Anthem”, sloot het concert op een typerende manier af: terwijl de strijkers en de overige meegebrachte bandleden op het einde de melodie op een haast hypnotiserende manier door bleven spelen, bracht de zangeres zelf zo’n twintig minuten door bij de fans op de eerste rijen. Wat mij betreft had ze daar nog uren knuffels mogen uitdelen en praatjes mogen aanknopen; juist de instrumentale fade-out was misschien wel het hoogtepunt van de avond.

Welkom

Welkom op deze site! Ik heb er een tijdlang (zeg maar gerust: jaren) tegen aan gehikt, maar nu is het dan zover: een digitaal platform waar ik geschreven stukken op zal plaatsen. Aangezien ik over van alles en nog wat schrijf, zullen hier zeer uiteenlopende stukken op verschijnen. Een anekdote hier, een achtergrondartikel daar, zo nu en dan een concert- of filmrecensie, een column-achtig stuk tussendoor en wie weet wat er verder nog op komt te staan. Alles is mogelijk.

De weblog heeft de naam heleen-en-de-wereld gekregen. Ten eerste omdat de stukken van mij zijn en over de wereld en alles daar tussenin zullen gaan, en ten tweede omdat ik het leuk vind dat er qua klinkers alleen maar e’s in deze naam zitten. Die dan wel weer op drie verschillende manieren uitgesproken worden; lang, kort, en stemloos. Maar dit terzijde.

Ik zal zo direct twee stukken plaatsen. Het eerste en meest gedateerde is een recensie van een concert dat eind mei plaatsvond. Het stond al tijden in de steigers, maar ik had het nooit afgemaakt. Het tweede is een recent geschreven kort stuk over mijn favoriete wielrenner die begin juli ineens veel media-aandacht kreeg door zijn vroege (onrechtmatige?) diskwalificatie in de Tour de France.

Tot zover dit welkom. Doe vanaf nu of je thuis bent!