Posts tonen met het label persoonlijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label persoonlijk. Alle posts tonen

zondag 20 maart 2016

Nu komt alles goed

Ik deed dit jaar mee aan de halve marathon omdat ik iets recht te zetten had. Vorig jaar maakte ik mijn debuut op deze afstand: bij die editie rende ik eerst 10 km in moordend tempo maar was daarna de koek op: de tweede helft legde ik bij wijze van spreken kruipend af. Dit jaar wilde ik bewijzen dat ik de afstand wél waardig uit kan lopen.

Vanaf de eerste meters voelde het goed. Ik liep makkelijk en begon vooral héél rustig om niet dezelfde fout te maken als vorig jaar. Toen ik de eerste 10 km erop had zitten schroefde ik mijn tempo op, en dat bleef ik doen in het tweede gedeelte. De laatste kilometers waren lang en zwaar, maar gelukkig nam het aantal toeschouwers toe naarmate je dichter bij de finish kwam. Hoewel, ‘toeschouwers’? Dat klinkt wel heel passief. ‘Supporters’ is een veel betere benaming. Omdat je naam op je startnummer stond wist het publiek precies wie er voorbij kwamen draven. De laatste 200 meter rende ik door een zee van lawaai, waarin ik van alle kanten “Helééééén!” hoorde. De aanmoedigingen stuwden me voort en droegen mijn benen op grotere en snellere passen te maken, steeds groter, steeds sneller, tot ik vloog.

En ineens betekende deze wedstrijd zoveel meer dan alleen 21,1 km hardlopen. Het was niet alleen wraak op de mislukte versie van vorig jaar, het was een antwoord op alles wat ooit misging. Het publiek dat mijn naam schreeuwde leek me ineens niet meer alleen te steunen in mijn laatste meters, maar stak me een enorm hart onder de riem voor alles. Álles. Ik had kippenvel over mijn hele lijf en zag door een waas van tranen de finishlijn steeds sneller dichterbij komen tot ik eroverheen rende, snakkend naar adem en met een gevaarlijk trillende kin. Het is gelukt. Nu komt alles goed.

vrijdag 16 oktober 2015

Het eenvoudige geluk van rennen

Toen ik klein was brachten we altijd een deel van de zomervakantie door in Brem-sur-Mer, op een camping op een paar honderd meter van zee. De dagen waren van een heerlijke eenvoud: ’s ochtends ontbeten we met vers stokbrood en om de dag een croissantje, daarna gingen we pingpongen, badmintonnen, één of ander al dan niet zelfbedacht spel spelen, en/of lezen. We lunchten weer met stokbrood en daarna zetten we koers naar het strand. Een voettocht van zo’n 10 minuten (maar het voelde véél langer) door de zinderende hitte, dwars door het duingebied. Na twee duinen stonden we aan de Atlantische Oceaan. Daar bleven we de middag. Kastelen bouwen, zwemmen, beachballen, nog meer lezen, nog een keer zwemmen — de middagen waren van een ongekende zorgeloosheid.

Als het eb was, lag de zee een paar honderd meter verderop. Daar rende ik dan naartoe. Op blote voeten over het natte slib, waar mijn voeten bij elke pas een kletsgeluid in maakten. Voor me op de natte grond zag ik de weerspiegeling van de zon, die ik uit alle macht probeerde in te halen. Ik maakte mijn passen zo groot mogelijk en rende zo hard als ik kon, vastberaden om op een dag de zon af te troeven. Ik dacht nergens anders aan als ik rende. Ik hoorde alleen mijn eigen ademhaling en passen, en ik zag alleen die spiegeling van de zon voor me. Het strand kon me niet lang genoeg zijn. Ik heb de zon nooit kunnen inhalen, maar dat geeft niet.

Ook vanmiddag ging ik hardlopen. Niet over het strand, niet als een zorgeloos kind, maar door de straten van Utrecht en om te vergeten, om mijn gedachten uit te schakelen. Ergens na 17 kilometer liep ik over een vrij nieuw fietspad, dat glansde van de regen die gestaag viel, al de hele rit lang. De zon was nergens te bekennen, maar wel zag ik de weerspiegeling van de bomen op de grond voor me. Ik versnelde mijn pas en probeerde de eerste in te halen. Dit lukte, maar na elke boom waar ik overheen liep verscheen een nieuwe. En weer een nieuwe. Ik hoorde niets anders dan mijn ademhaling en mijn passen op het natgeregende asfalt, en ik zag niets anders dan de spiegeling van de bomen op de grond. Ik dacht nergens anders aan dan aan het volgende in te halen silhouet.

Op dat moment moest ik terugdenken aan het hierboven beschreven eenvoudige geluk van het rennen over het strand, inmiddels 15 (?) jaar geleden. Hoeveel kouder het vandaag ook was, en hoeveel andere dingen ik ook aan mijn hoofd had, heel even werd ik weer de Heleen van die vakanties. Ik werd overspoeld door geluk in de vorm van een heel geruststellende gedachte: hoezeer de wereld en de mensen om me heen ook mogen veranderen, en hoezeer ik zelf ook mag veranderen en ouder mag worden, ik zal altijd blijven rennen zoals dat kleine meisje over het strand, de zon achterna.


De enige foto die ik kon vinden die bij dit verhaal past. Overigens niet gemaakt in Utrecht of op het strand, maar in Olympia (Griekenland).

zaterdag 16 mei 2015

Drie gedichten


Winternacht

Terwijl ik door de donkere stad loop
Waarin de kou de straten allang heeft overgenomen
Denk ik aan alles wat nooit zal zijn
En aan alles wat nooit zal komen

Ik loop tot mijn benen pijn doen
Alleen en verlaten door de tijd
Terwijl zwarte gedachten rondrazen
Wanneer er ineens een fietser langs me rijdt

Het is een vrouw van begin dertig schat ik zo
— misschien heb ik hierin ongelijk —
Ze fietst op een aftandse stadsfiets
Maar voelt zich koningin te rijk

Ze zingt luidkeels mee met haar muziek
En hoewel ik er geen woord van kan verstaan
Breekt de zon door in mijn hoofd
En prijs ik mijn kleine bestaan


Zomernacht

in die mooie zomer werd het avond en de nacht begon te vallen
en ik voor jou en ik wilde alleen maar jou en jij
— ik weet niet wat jij dacht en wat jij wilde of
wellicht had dat niets te doen met mij

toch probeerde ik, dappere dwaas die ik
wilde zijn toch probeerde ik jou — ja jou
te vertellen zij het met gebaren of zonder woorden
dat ik toch wel zo vreselijk van jou hou

geen van mijn woorden bleek aan te komen en niets
geen gebaren die werkten of zit ik hier fout
maar ik hoorde toch echt niet nee heel de avond niet
dat jij toch ook zo vreselijk van mij houdt

en al wat mij nu nog rest is slechts de dronken herinnering
deinend in een bed van rosé is mij toen verteld of mijn dromen
en oh nog zoveel andere dingen ja en andere zaken en wie weet later
later ik weet ik nooit wat ooit nog zou mogen komen?


46[1] / Geen titel
NB: 46[1], zo heette het bestand. Ik denk echter dat het gedicht titelloos zou moeten zijn, maar dat ik van Windows het bestand een naam moest geven. Waar dan die 46[1] vandaan komt, weet ik ook niet.

Lichaam en geest gespannen en de wijn ze helpt niet
Ik zou willen huilen maar de tranen ze komen niet
Ik blijf hopen maar je kijkt niet en je kijkt niet
Ik zou zoveel willen maar je bent er gewoon niet

Misschien is het hopeloos en misschien weet ik het wel
Maar misschien is voor mij misschien genoeg
Om misschien mezelf ermee te kwellen
Want misschien is nu bezwijken misschien te vroeg

En je niet willen zien doet me pijn
En het doet me pijn je te zien zoveel ik kan
En je willen vergeten doet zoveel pijn
En van je houden doet pijn maar wat moet ik dan

Want waarom zou het niet kunnen waarom zou het niet
Waarom geef je ons geen kans je weet dat ik eindeloos van je hou
Waarom alleen zijn als ik hier voor je ben
Weet dat ik voor altijd en altijd van je houden zou

En ik zal er voor je zijn en voor je zorgen
En voor je koken en met je praten en met je zwijgen
En ik zal bij je zijn en met je dromen over overmorgen
Laat me je ooit, ooit in mijn armen krijgen


maandag 19 januari 2015

Goede voornemens

Zo, blue monday is weer zo goed als voorbij! De laatste jaren wint het begrip aan bekendheid, vooral dankzij de vele reclames die hier handig op inspelen. Volgens reisbureaus is dit hét uitgelezen moment om een lekkere zonvakantie te boeken, volgens fitnessclubs is dit dé dag om een nieuw abonnement af te sluiten, etcetera. Hoe het ook zij, de naar verluidt meest depressieve dag van het jaar hebben we toch maar mooi overleefd. En eerlijk gezegd heeft me dat totaal geen moeite gekost: het gaat eigenlijk ontzettend goed, zowel privé als op werk (enige klacht: werken kost me nét teveel vrije tijd naar mijn zin). En de goede voornemens staan nog — sterker nog, ik lig op ramkoers!

Mijn eerste voornemen voor 2015 is om een halve marathon te gaan lopen. Ik heb nooit langer dan 15 kilometer aan één stuk gerend — en dat zijn dan héél zeldzame oplevingen, aangezien mijn reguliere trainingen eigenlijk nooit boven de 8 km uitkomen, en ik me bij wedstrijden voor maximaal 10 kilometer inschrijf. Ik hou van tempo, lange lopen vind ik saai. Dacht ik. Dit jaar wil ik daar verandering in brengen, en om te beginnen de helft van de klassieke afstand gaan rennen. 22 maart gaat het gebeuren, tijdens de Utrecht Marathon. Een thuiswedstrijd, dus.

Zoals zo vaak, was ook nu mijn eerste gedachte “natuurlijk kan ik dat, hoe moeilijk kan het zijn?”. Wat overigens volgens mij een heel gezonde instelling is, maar goed. Afijn, fluitend begon ik aan een eerste voorzichtige training waarin ik wel even 15 km zou rennen. Zonder warming-up, zoals gewoonlijk (mijn trainingsronden zijn all inclusive). Om een lange loop kort te maken: conditioneel was het geen probleem, alleen deed aan het einde mijn rechterkuit pijn, was mijn linkerhamstring totaal stijf, en liep ik als een snelwandelaar die de regels niet helemaal kent. Van mijn rechterenkel had ik nog twee dagen daarna last. Ik vervloekte mezelf en mijn totale overmoed.

Inmiddels heb ik daarom twee verbeteringen doorgevoerd: ik ben (korte) warming-ups gaan doen en ik heb nagezocht hoe je eigenlijk voor een halve marathon moet gaan trainen. Het blijkt dat je in ieder geval eens per week een lange loop moet doen, waarbij je het aantal kilometers elke twee weken met één verhoogt. Dus dat doe ik nu braaf: doordeweeks loop ik mijn gewone, korte trainingen (die ik wel óók aan het verlengen ben), en ieder weekend loop ik een lange afstand die ik steeds uitbreid. Bij deze lopen dwing ik mezelf de eerste helft rustig te lopen, om de tweede helft te versnellen tot minimaal mijn 10 kilometer-wedstrijdtempo — en liefst nog iets sneller. Op die manier wennen mijn spieren en gewrichten aan lange afstanden én forceer ik mezelf om tempo te blijven houden, ook op een lange afstand. Want ik wil die halve marathon natuurlijk niet alleen uitlopen, ik wil ook een goede tijd neerzetten. 10 kilometer loop ik in ca. 45 minuten; dat maal 2, plus 5 minuten per 10 kilometer extra, plus een paar minuten omdat de afstand niet 20 maar 21,1 km is, geeft een streeftijd van tussen de 1:40—1:45 uur. Ik ben benieuwd! Het is in ieder geval erg motiverend om zo’n doel te hebben, en hoewel ik bang was dat lange afstanden lopen saai zou zijn, bevalt het me heel erg goed. Wie weet kan ik meteen doorstomen naar een volledige marathon in het najaar?

Sowieso ga ik eind april—begin mei met Lieneke naar Sicilië, voor een week vakantie. Daar ligt meteen mijn tweede doel van 2015: ik wil de Etna gaan beklimmen met een racefiets. En ja, natuurlijk kan ik dat. Hoe moeilijk kan het zijn?


zondag 20 april 2014

Over flamingo’s en achtbanen

Mijn gedachten raasden deze ochtend weer eens rond alsof mijn hoofd een achtbaan was. Eigenlijk valt mijn gemiddelde gedachtegang goed te vergelijken met mijn wikipediagedrag: op elke pagina die ik lees zie ik wel een interessante term die een link blijkt te vormen naar een volgend artikel, en zo kan ik moeiteloos van de Franse Revolutie via graanprijzen en Afghanistan naar volleybal komen. Vanmorgen legde ik (in mijn hoofd) de route flamingo’sNevadaachtbanen af, en toen ik besefte hoe ik in mijn hoofd moeiteloos deze wikipedia-achtige sprongen door ruimte en tijd kon maken, besloot ik ze voor deze keer vast te leggen en uit te werken. Om nu een spreekwoordelijk dia-ochtendje te houden van de ommelandse reis die ik vanmorgen al gemaakt heb.

Flamingo’s! Waarom dacht ik in hemelsnaam aan flamingo’s? Ik heb geen idee. Ik vind het leuke beesten, ze hebben iets kunstzinnigs over zich, alsof het eerder versieringen van de natuur zijn dan dat ze winnaars van Darwins survival of the fittest-competitie zijn. Wikipedia lijkt deze opvatting overigens te onderschrijven: toen ik net eventjes op de flamingowiki keek kwam ik al verdacht snel op de pagina van de plastic flamingo’s, oftewel flamingobeelden om je tuin mee te versieren. Een stuk beter dan tuinkabouters, als je het mij vraagt. Maar kennelijk vormen ze hét symbool van de Amerikaanse koopzucht en zijn ze het toonbeeld van kitsch in de achtertuin. A la! Ik dwaal af.

Laat ik de route van vanmorgen herpakken; op naar Nevada, de bekende woestijnstaat in de Verenigde Staten. Met Las Vegas als stralend middelpunt, dan wel niet geografisch, dan toch zeker gevoelsmatig. Nevada, met als klinkende bijnamen The Silver State en Battle Born State. De oplettende lezer ziet de tussenstations in de stap van flamingo’s naar Nevada nu gemakkelijk liggen. Flamingo, zo heet het soloalbum van Brandon Flowers, zanger van The Killers. Het laatste album van The Killers heet dan weer Battle Born, naar de bijnaam van Nevada. Hello Nevada!

Vervolgens gingen mijn gedachten terug naar september 2012, toen ik een maand in de Verenigde Staten vertoefde en we onder meer Nevada aandeden. En toen we toch eenmaal in Nevada waren, hebben we Las Vegas meteen ook maar bezocht om een paar puntjes op de 31 te zetten. Van het casino in Fremont Street naar het casino hier in Utrecht is een kleine stap. Zo kwam ik uit bij de uitjes met mijn collega’s, die bijvoorbeeld naar de roulettetafels achter de jaarbeurs hebben geleid. Het volgende uitje dat in de planning staat is een bezoekje aan achtbanenpark Walibi. Op het moment dat ik vanmorgen in mijn hoofd de Goliath al instapte, dacht ik “wow, mijn gedachten razen nu rond alsof mijn hoofd zélf een achtbaan is”. Zodoende was de eerste zin van dit stukje geboren, en heb ik de route nogmaals afgelegd. Nu is het tijd om verder te denken. Ik zal niet de rest van de dag de tussenstations van mijn gedachtegang vastleggen en uitleggen, maar ik kan de eerste landmarks al wel geven (opdracht: probeer de tussenstations in te vullen!): achtbanenautoU2, New Years’ DaykamperenTIJDSNOOD — moet nú gaan.