zondag 2 maart 2014

Peter Crouch

Met de Olympische Spelen nog vers in het geheugen zou het natuurlijk al te logisch zijn om een stukje te schrijven over Sven Kramer, Stefan Groothuis, Ireen Wüst, of nogmaals over Sjinkie Knegt. Maar vandaag wil ik een paar woorden wijden aan een cultheld uit het voetbal: zo’n speler die goed kan voetballen, maar die vooral aanspreekt om andere redenen dan zijn al dan niet scorende vermogen. Sinds jaar en dag is hij één van mijn favoriete voetballers: de Engelsman Peter Crouch.

Crouch is niet gemakkelijk over het hoofd te zien: het is een slungel van liefst 2,01 m lang. Reden voor de Liverpoolsupporters om hem in zijn tijd bij die club toe te zingen met ‘He’s big, he’s red, his feet stick out the bed, Peter Crouch, Peter Crouch!’, en reden voor fans van andere teams om hem met ‘Freak! Freak!’ te begroeten. Behalve lang is hij namelijk ook nog eens extreem mager: er zijn foto’s van hem in omloop waar een gemiddelde junk gezond bij afsteekt.

Zijn jaren bij Liverpool, van 2005 tot 2008, waren succesvol te noemen — ondanks een droogteperiode van liefst vier maanden waarin hij maar niet wist te scoren. Zijn carrière leidde langs nog vele andere Engelse clubs. Zo is Crouch ook in dienst geweest van Queens Park Rangers, Portsmouth, Aston Villa, Norwich City, Southampton, en Tottenham Hotspur, de club waar hij ook de jeugdopleiding doorliep. Sinds het seizoen 2011/2012 staat hij op het veld in het rood-witte shirt van Stoke City.

Maar Crouch viel in die jaren niet alleen op vanwege zijn voetbal, en dat was ook niet de reden dat ik fan werd van de lange Engelsman. Hij had namelijk een aparte manier van zijn goals vieren: met de robodance! Niet dat Crouch nou zo’n enorm goede danser is, helemaal niet zelfs. Hij slingert houterig die slungelige ledematen van hem wat heen en weer, het is duidelijk dat hij geen uren voor de spiegel geoefend heeft — en dat is meteen ook de charme, als je het mij vraagt. Ondanks de gebrekkige uitvoering werd de dans van Peter Crouch enthousiast ontvangen, en hoewel hij eerst stelde dat hij de robodance alleen nog een keer zou doen als Engeland wereldkampioen zou worden, en later dat hij hem alleen zou doen als hij in de Champions League-finale zou scoren, trakteerde hij de wereld in 2009 alsnog op een korte en wel héél slechte robodance na een goal tegen Oekraïne, als onderdeel van ‘Red Nose Day’, een dag waarop geld wordt ingezameld voor het goede doel.

De dansende Peter Crouch ging een eigen leven leiden; sinds de robodance op het veld heeft hij in een tv-show op Michael Jackson staan dansen, zijn er verscheidene video’s uit het nachtleven opgedoken van RoboCrouch in actie, en wordt er in interviews keer op keer naar gevraagd. En niet alleen Crouch zelf krijgt vragen over de robodance: ook zijn vrouw Abbey Clancy, die vorig jaar nog meedeed aan de Engelse tv-show ‘Strictly Come Dancing’ werd gevraagd of manlief haar nog wat robomoves had bijgebracht om in de show in te zetten. Helaas niet.

Ik weet dat ik hiermee mijn zelfbenoemde status als ‘voetbalkenner’ eigenhandig ook weer aan het afbreken ben, maar het is nu eenmaal niet anders: om bij mij in de smaak te vallen, zijn voetbalkwaliteiten nu eenmaal van ondergeschikt belang. Een gebrekkige uitvoering van de robodance waardeer ik gewoon veel meer dan een mooie actie in het zestienmetergebied. Tenzij het om een Arjen Robben gaat die het wereldkampioenschap op zijn linkerschoen heeft, uiteraard.


Crouch die de robodance doet. Na 20 seconden gaat het filmpje over op de doelpunten zelf, dus dan kun je hem af zetten.

Ook in Pro Evolution Soccer 2012 viert Crouch zijn doelpunten al dansend.

vrijdag 21 februari 2014

Machu Picchu: verslag van mijn bezoek

Ze zeggen dat de klim naar Machu Picchu een mystieke ervaring is, een spirituele tocht haast. Ze zeggen dat de geest van de Inca’s, die bijna 500 jaar geleden de stad ontvluchtten, voelbaar is en dat ze kracht en energie geeft, een effect gelijk aan het kauwen op cocabladeren. Tegelijkertijd is het bezoeken van Machu Picchu een massa-evenement geworden: dagelijks nemen hordes toeristen de oude Incastad in. Er is een maximum van 2500 bezoekers per dag gesteld, om schade en verzakking te voorkomen. Voor de beklimming van Huaynapicchu, de berg aan de achterzijde van de stad, geldt een maximum van 400 bezoekers per dag. Dat zijn geen misselijke aantallen. Gisteren was ik één van de vele toeristen in de oude Incastad, en beklom ik met 199 anderen in de tweede shift de Huaynapicchu. Mystieke ervaring of toeristische gehaktmolen? Hieronder mijn verslag.


Ik besloot in Cusco om een vierdaagse trekking naar Machu Picchu te boeken. Niet alleen omdat deze optie veel gemakkelijker is dan om alles zelf te regelen (ticket voor Machu Picchu, vervoer (trein, bus), onderdak...), maar ook omdat het me leuker leek om deze tocht met meerdere mensen te maken. De vierdaagse trekking had grofweg deze indeling:

  • Eerste dag: 60 km downhill fietsen, 45 min. lopen naar verblijfplaats voor de nacht;
  • Tweede dag: in totaal 7 uur lopen, deels over oude Incatrails, deels door de jungle. Eindpunt: hot springs nabij Santa Teresa, het dorpje waar we de nacht doorbrengen;
  • Derde dag: ’s ochtends ziplinen, d.w.z. aan een kabel de canyon van de Urubambarivier een paar keer oversuizen; ’s middags vanaf de waterkrachtwerken (de hidroelectrica van Santa Teresa, vooral bekend omdat vanaf dit punt bussen niet verder kunnen rijden, en de toeristen die naar Machu Picchu willen vanaf hier te voet verder gaan) naar Aguas Callientes lopen;
  • Vierde dag: klim naar Machu Picchu, stad bekijken, Huaynapicchu beklimmen (dit was optioneel). In de avond per trein van Aguas Callientes naar Ollantaytambo, vanaf daar per busje terug naar Cusco.

De eerste drie dagen waren al erg leuk, met name het lopen over de oude Incatrail, maar het ging iedereen natuurlijk eigenlijk om maar één ding: het bezoek aan Machu Picchu. De avond van tevoren legde gids Ricardo uit wat ons te wachten stond. We zouden om 04:30 het hotel moeten verlaten om rond 05:00, wanneer hij open gaat, bij de brug aan te komen waar de echte beklimming begint. Dan zouden we in circa een uur de 1700 treden bedwingen die naar de toegangspoort van Machu Picchu leiden, zo’n 400 meter hoger. Ricardo zou ons daar rond 06:00 treffen (de luilak zou een bus naar boven nemen — wat ook een optie voor ons was, maar iedereen koos ervoor te lopen) en een rondleiding in de stad geven. Daarna zouden we vrije tijd hebben, en konden diegenen die een startbewijs voor de beklimming van Huaynapicchu hadden bemachtigd aan de volgende klim beginnen. Die avond lag iedereen rond 22:00 braaf in bed, moe van drie dagen activiteit en vastbesloten om de volgende dag uitgerust aan de start te verschijnen.

Het gedeelte naar de brug liepen we met z’n vijven en het eerste gedeelte van de beklimming werd ook gezamenlijk afgelegd, maar vanaf het moment dat de eerste zweetdruppels zich lieten zien — wat al vrij snel het geval was — liep iedereen zijn eigen tempo. Zelf zweette ik al gauw als een otter, en hoewel ik op de sporadische vlakke stukken goed voelde hoe zwaar mijn benen waren, kon ik op de ongelijke stenen treden goed in een ritme komen. Met elke trede voelde ik mijn kracht toenemen, en of het nou aan de spirituele kracht van de berg te danken is of aan mijn eerzuchtige zelf die als eerste van de groep boven wilde zijn, de beklimming ging me heel gemakkelijk af. In circa 40 minuten had ik de toegangspoort bereikt, als eerste van de groep.

Binnen in de stad bleek al gauw dat de vraag “mystieke ervaring of toeristische gehaktmolen?” niet met uitsluitend het ene of het andere beantwoord kan worden. Want ja, het is van de ene kant een toeristische gehaktmolen: er is bij tijd en wijle filevorming in de nauwe straatjes, overal hobbelen groepen toeristen braaf achter de paraplu aan die hun gids in de lucht steekt, en de bekende ansichtkaartfoto heeft werkelijk iedereen die Machu Picchu bezoekt. Maar wanneer de toeristen zich een beetje verspreid hebben en je de stad en haar omgeving kunt bekijken zonder andermans rugzak of paraplu in je gezicht te krijgen, is de aanblik adembenemend. De ligging is fenomenaal: een klein, nietig stadje tussen steile, groene bergen die haar omringen en aan de noordkant lijken te omarmen, alsof Moeder Aarde de stad persoonlijk beschermt. Wolken zorgen voor afwisselend mistig en helder zicht — in het laatste geval heb je vrij zicht op de Urubambarivier die 400 meter lager door het landschap stroomt. De belangrijke gebouwen in de stad zijn op de bekende Incamanier gebouwd: de stenen die de muren vormen sluiten naadloos op elkaar aan, zonder gebruik van cement. De vele onzekerheden die aan de stad kleven maken de al mysterieuze aanblik tot een nog raadselachtiger voorkomen. Waarom hebben de Inca’s juist op deze moeilijk te bereiken plek een stad gebouwd? Wie woonden er? Hoe kregen ze het voor elkaar de stenen zó goed op elkaar te laten aansluiten? Waarom zijn ze niet gebleven toen de Spanjaarden Cusco innamen? En waar zijn ze heen gevlucht?

Vanaf Huaynapicchu, de berg die zo’n 350 meter boven Machu Picchu uittorent, is het uitzicht zo mogelijk nog grootser. De beklimming doe je niet in je eentje; per shift worden 200 mensen toegelaten. Iedereen moet zich bij de toegang inschrijven en bij het verlaten uitschrijven — qua regels en qua handhaving ervan zijn ze bij Machu Picchu strikter dan waar ook in Peru. En hoewel er onderweg gekletst wordt en grappen worden gemaakt (zoveel als de adem toelaat), is iedereen aan de top stil — en niet (alleen) van uitputting. Onder je zie je de stad, inderdaad in de vorm van een condor, zoals de gids al vertelde. De condor was één van de drie heilige dieren in de Incatijd, samen met de poema en de slang. Bij vrijwel alles wat de Inca’s bouwden hielden ze rekening met de hemel en de hemellichamen: dit waren immers hun goden. Steden hadden vanuit de lucht gezien de vorm van een dier, gebouwen waren zo gebouwd dat de eerste zonnestraal op een bepaald punt scheen, en ga zo maar door. Hun kennis van astronomie was gigantisch.

Op een gegeven moment werden we door een driftige suppoost gesommeerd de berg weer te verlaten. Eigenlijk heel ironisch: de Inca’s hadden immers allang begrepen dat je natuur niet kunt bezitten, en juist hier bij Machu Picchu hebben de bergen sluitingstijden. We zetten de afdaling in, en verlaten hierna de stad. De rest van mijn groepje besluit de bus terug naar Aguas Callientes te nemen, maar ik voel me fit en besluit te lopen. Tijdens de afdaling denk ik terug aan mijn bezoek, en geniet ik nog één keer van het uitzicht op de ruige groene bergen. Mijn bezoek aan Machu Picchu was geen puur mystieke ervaring, en het voelde ook niet als een toeristische gehaktmolen. Wel was het ontzettend indrukwekkend. En eigenlijk ben ik toch ook wel heel blij dat er nu ook zo’n standaard ansichtkaartfoto met mijn afbeelding erop bestaat. (Hoewel ik niet goed op de rand ben gaan staan, zie ik nu pas... Reden om nog eens terug te keren!)


Uitzicht tijdens de beklimming, ’s ochtends vroeg.


De bekende ansichtkaartfoto.


Gebouw in Machu Picchu — let op de nauwsluitende stenen.


Detail van een muur in Cusco, nog een voorbeeld van de hoogstaande bouwstijl van de Inca’s.


Uitzicht vanaf Huaynapicchu. Links de moderne weg waar bussen over rijden, in het midden Machu Picchu, rechts de Urubambarivier.


Uitzicht vanaf Machu Picchu.


De omgeving van Machu Picchu.

maandag 20 januari 2014

Sjinkie Knegt door de bocht

Arme Sjinkie Knegt! Na een frustrerend EK werd hij op het laatste onderdeel gediskwalificeerd voor de einduitslag, omdat hij in een woede-uitbarsting met twee middelvingers omhoog over de finish kwam en een trappende beweging maakte in de richting van Victor An, een Rus van Koreaanse origine, die hem versloeg. Weg bronzen medaille. Vloog hij dit weekend niet letterlijk uit de bocht, dan wel figuurlijk.

Na de race werd de shorttracker geïnterviewd door een NOS-verslaggever. Met in-en-in trieste puppy-ogen, waarmee Knegt bij de bewuste finish nog leek te kunnen moorden, keek hij naar de verslaggever — maar vaker nog naar links, naar rechts, naar de grond. Alles om de tranen nog even te onderdrukken. “Ik hoor een beetje een breekbare stem?” merkt de vragensteller fijntjes op. Sjinkie houdt zich nog even groot, maar zijn onderlip trilt en in zijn ogen verschijnt het eerste smeltwater. Een paar zinnen later werpt hij nog één wanhopige, verdrietige blik in de camera, wendt dan zijn hoofd af en loopt huilend weg.

Vandaag gaf hij aan spijt te hebben van zijn gedrag tijdens de race. “Niet het slimste wat ik ooit heb gedaan”, aldus het heethoofd. “Natuurlijk heb ik er spijt van.” Excuses had hij al aangeboden, aan zijn sponsors en zijn team. Meer uit plichtsbesef dan uit oprecht berouw natuurlijk, want Sjinkie Knegt weet ook wel dat er eigenlijk niets is om sorry voor te zeggen. Niet het team werd gediskwalificeerd, maar hijzelf. En hij was ver genoeg verwijderd van An om een trappende beweging te kunnen maken zonder dat zijn schaats bij de Koreaanse Rus in zijn rug zou blijven staan. Kortom, hij had niemand pijn gedaan en alleen zichzelf benadeeld, en hoewel Knegt zich misschien geen schoolvoorbeeld van “sportieve verliezer” toonde, liet hij wel zien wat sport zo mooi maakt: emotie.

Ik zie liever een dergelijke woede-uitbarsting en daarop volgend pure verdriet dan iemand die zijn hoofd buigt en het verlies gelaten over zich heen laat komen. Sjinkie, ik zou zeggen: laat ze die bronzen medaille opvreten. Over een paar weken, in Sochi, is het tijd voor sportieve revanche. En ik zet mijn geld in op jou, want juist je haast on-Nederlandse temperament waardoor je dit EK uit de bocht vloog, is wat je straks op het hoogste podium kan brengen.