vrijdag 21 februari 2014

Machu Picchu: verslag van mijn bezoek

Ze zeggen dat de klim naar Machu Picchu een mystieke ervaring is, een spirituele tocht haast. Ze zeggen dat de geest van de Inca’s, die bijna 500 jaar geleden de stad ontvluchtten, voelbaar is en dat ze kracht en energie geeft, een effect gelijk aan het kauwen op cocabladeren. Tegelijkertijd is het bezoeken van Machu Picchu een massa-evenement geworden: dagelijks nemen hordes toeristen de oude Incastad in. Er is een maximum van 2500 bezoekers per dag gesteld, om schade en verzakking te voorkomen. Voor de beklimming van Huaynapicchu, de berg aan de achterzijde van de stad, geldt een maximum van 400 bezoekers per dag. Dat zijn geen misselijke aantallen. Gisteren was ik één van de vele toeristen in de oude Incastad, en beklom ik met 199 anderen in de tweede shift de Huaynapicchu. Mystieke ervaring of toeristische gehaktmolen? Hieronder mijn verslag.


Ik besloot in Cusco om een vierdaagse trekking naar Machu Picchu te boeken. Niet alleen omdat deze optie veel gemakkelijker is dan om alles zelf te regelen (ticket voor Machu Picchu, vervoer (trein, bus), onderdak...), maar ook omdat het me leuker leek om deze tocht met meerdere mensen te maken. De vierdaagse trekking had grofweg deze indeling:

  • Eerste dag: 60 km downhill fietsen, 45 min. lopen naar verblijfplaats voor de nacht;
  • Tweede dag: in totaal 7 uur lopen, deels over oude Incatrails, deels door de jungle. Eindpunt: hot springs nabij Santa Teresa, het dorpje waar we de nacht doorbrengen;
  • Derde dag: ’s ochtends ziplinen, d.w.z. aan een kabel de canyon van de Urubambarivier een paar keer oversuizen; ’s middags vanaf de waterkrachtwerken (de hidroelectrica van Santa Teresa, vooral bekend omdat vanaf dit punt bussen niet verder kunnen rijden, en de toeristen die naar Machu Picchu willen vanaf hier te voet verder gaan) naar Aguas Callientes lopen;
  • Vierde dag: klim naar Machu Picchu, stad bekijken, Huaynapicchu beklimmen (dit was optioneel). In de avond per trein van Aguas Callientes naar Ollantaytambo, vanaf daar per busje terug naar Cusco.

De eerste drie dagen waren al erg leuk, met name het lopen over de oude Incatrail, maar het ging iedereen natuurlijk eigenlijk om maar één ding: het bezoek aan Machu Picchu. De avond van tevoren legde gids Ricardo uit wat ons te wachten stond. We zouden om 04:30 het hotel moeten verlaten om rond 05:00, wanneer hij open gaat, bij de brug aan te komen waar de echte beklimming begint. Dan zouden we in circa een uur de 1700 treden bedwingen die naar de toegangspoort van Machu Picchu leiden, zo’n 400 meter hoger. Ricardo zou ons daar rond 06:00 treffen (de luilak zou een bus naar boven nemen — wat ook een optie voor ons was, maar iedereen koos ervoor te lopen) en een rondleiding in de stad geven. Daarna zouden we vrije tijd hebben, en konden diegenen die een startbewijs voor de beklimming van Huaynapicchu hadden bemachtigd aan de volgende klim beginnen. Die avond lag iedereen rond 22:00 braaf in bed, moe van drie dagen activiteit en vastbesloten om de volgende dag uitgerust aan de start te verschijnen.

Het gedeelte naar de brug liepen we met z’n vijven en het eerste gedeelte van de beklimming werd ook gezamenlijk afgelegd, maar vanaf het moment dat de eerste zweetdruppels zich lieten zien — wat al vrij snel het geval was — liep iedereen zijn eigen tempo. Zelf zweette ik al gauw als een otter, en hoewel ik op de sporadische vlakke stukken goed voelde hoe zwaar mijn benen waren, kon ik op de ongelijke stenen treden goed in een ritme komen. Met elke trede voelde ik mijn kracht toenemen, en of het nou aan de spirituele kracht van de berg te danken is of aan mijn eerzuchtige zelf die als eerste van de groep boven wilde zijn, de beklimming ging me heel gemakkelijk af. In circa 40 minuten had ik de toegangspoort bereikt, als eerste van de groep.

Binnen in de stad bleek al gauw dat de vraag “mystieke ervaring of toeristische gehaktmolen?” niet met uitsluitend het ene of het andere beantwoord kan worden. Want ja, het is van de ene kant een toeristische gehaktmolen: er is bij tijd en wijle filevorming in de nauwe straatjes, overal hobbelen groepen toeristen braaf achter de paraplu aan die hun gids in de lucht steekt, en de bekende ansichtkaartfoto heeft werkelijk iedereen die Machu Picchu bezoekt. Maar wanneer de toeristen zich een beetje verspreid hebben en je de stad en haar omgeving kunt bekijken zonder andermans rugzak of paraplu in je gezicht te krijgen, is de aanblik adembenemend. De ligging is fenomenaal: een klein, nietig stadje tussen steile, groene bergen die haar omringen en aan de noordkant lijken te omarmen, alsof Moeder Aarde de stad persoonlijk beschermt. Wolken zorgen voor afwisselend mistig en helder zicht — in het laatste geval heb je vrij zicht op de Urubambarivier die 400 meter lager door het landschap stroomt. De belangrijke gebouwen in de stad zijn op de bekende Incamanier gebouwd: de stenen die de muren vormen sluiten naadloos op elkaar aan, zonder gebruik van cement. De vele onzekerheden die aan de stad kleven maken de al mysterieuze aanblik tot een nog raadselachtiger voorkomen. Waarom hebben de Inca’s juist op deze moeilijk te bereiken plek een stad gebouwd? Wie woonden er? Hoe kregen ze het voor elkaar de stenen zó goed op elkaar te laten aansluiten? Waarom zijn ze niet gebleven toen de Spanjaarden Cusco innamen? En waar zijn ze heen gevlucht?

Vanaf Huaynapicchu, de berg die zo’n 350 meter boven Machu Picchu uittorent, is het uitzicht zo mogelijk nog grootser. De beklimming doe je niet in je eentje; per shift worden 200 mensen toegelaten. Iedereen moet zich bij de toegang inschrijven en bij het verlaten uitschrijven — qua regels en qua handhaving ervan zijn ze bij Machu Picchu strikter dan waar ook in Peru. En hoewel er onderweg gekletst wordt en grappen worden gemaakt (zoveel als de adem toelaat), is iedereen aan de top stil — en niet (alleen) van uitputting. Onder je zie je de stad, inderdaad in de vorm van een condor, zoals de gids al vertelde. De condor was één van de drie heilige dieren in de Incatijd, samen met de poema en de slang. Bij vrijwel alles wat de Inca’s bouwden hielden ze rekening met de hemel en de hemellichamen: dit waren immers hun goden. Steden hadden vanuit de lucht gezien de vorm van een dier, gebouwen waren zo gebouwd dat de eerste zonnestraal op een bepaald punt scheen, en ga zo maar door. Hun kennis van astronomie was gigantisch.

Op een gegeven moment werden we door een driftige suppoost gesommeerd de berg weer te verlaten. Eigenlijk heel ironisch: de Inca’s hadden immers allang begrepen dat je natuur niet kunt bezitten, en juist hier bij Machu Picchu hebben de bergen sluitingstijden. We zetten de afdaling in, en verlaten hierna de stad. De rest van mijn groepje besluit de bus terug naar Aguas Callientes te nemen, maar ik voel me fit en besluit te lopen. Tijdens de afdaling denk ik terug aan mijn bezoek, en geniet ik nog één keer van het uitzicht op de ruige groene bergen. Mijn bezoek aan Machu Picchu was geen puur mystieke ervaring, en het voelde ook niet als een toeristische gehaktmolen. Wel was het ontzettend indrukwekkend. En eigenlijk ben ik toch ook wel heel blij dat er nu ook zo’n standaard ansichtkaartfoto met mijn afbeelding erop bestaat. (Hoewel ik niet goed op de rand ben gaan staan, zie ik nu pas... Reden om nog eens terug te keren!)


Uitzicht tijdens de beklimming, ’s ochtends vroeg.


De bekende ansichtkaartfoto.


Gebouw in Machu Picchu — let op de nauwsluitende stenen.


Detail van een muur in Cusco, nog een voorbeeld van de hoogstaande bouwstijl van de Inca’s.


Uitzicht vanaf Huaynapicchu. Links de moderne weg waar bussen over rijden, in het midden Machu Picchu, rechts de Urubambarivier.


Uitzicht vanaf Machu Picchu.


De omgeving van Machu Picchu.

maandag 20 januari 2014

Sjinkie Knegt door de bocht

Arme Sjinkie Knegt! Na een frustrerend EK werd hij op het laatste onderdeel gediskwalificeerd voor de einduitslag, omdat hij in een woede-uitbarsting met twee middelvingers omhoog over de finish kwam en een trappende beweging maakte in de richting van Victor An, een Rus van Koreaanse origine, die hem versloeg. Weg bronzen medaille. Vloog hij dit weekend niet letterlijk uit de bocht, dan wel figuurlijk.

Na de race werd de shorttracker geïnterviewd door een NOS-verslaggever. Met in-en-in trieste puppy-ogen, waarmee Knegt bij de bewuste finish nog leek te kunnen moorden, keek hij naar de verslaggever — maar vaker nog naar links, naar rechts, naar de grond. Alles om de tranen nog even te onderdrukken. “Ik hoor een beetje een breekbare stem?” merkt de vragensteller fijntjes op. Sjinkie houdt zich nog even groot, maar zijn onderlip trilt en in zijn ogen verschijnt het eerste smeltwater. Een paar zinnen later werpt hij nog één wanhopige, verdrietige blik in de camera, wendt dan zijn hoofd af en loopt huilend weg.

Vandaag gaf hij aan spijt te hebben van zijn gedrag tijdens de race. “Niet het slimste wat ik ooit heb gedaan”, aldus het heethoofd. “Natuurlijk heb ik er spijt van.” Excuses had hij al aangeboden, aan zijn sponsors en zijn team. Meer uit plichtsbesef dan uit oprecht berouw natuurlijk, want Sjinkie Knegt weet ook wel dat er eigenlijk niets is om sorry voor te zeggen. Niet het team werd gediskwalificeerd, maar hijzelf. En hij was ver genoeg verwijderd van An om een trappende beweging te kunnen maken zonder dat zijn schaats bij de Koreaanse Rus in zijn rug zou blijven staan. Kortom, hij had niemand pijn gedaan en alleen zichzelf benadeeld, en hoewel Knegt zich misschien geen schoolvoorbeeld van “sportieve verliezer” toonde, liet hij wel zien wat sport zo mooi maakt: emotie.

Ik zie liever een dergelijke woede-uitbarsting en daarop volgend pure verdriet dan iemand die zijn hoofd buigt en het verlies gelaten over zich heen laat komen. Sjinkie, ik zou zeggen: laat ze die bronzen medaille opvreten. Over een paar weken, in Sochi, is het tijd voor sportieve revanche. En ik zet mijn geld in op jou, want juist je haast on-Nederlandse temperament waardoor je dit EK uit de bocht vloog, is wat je straks op het hoogste podium kan brengen.


zondag 29 december 2013

Grijze stenen – Aflevering 4: Kangbashi

In Binnen-Mongolië, een provincie in het noorden van China, vinden we een heel interessante stad: Ordos. Ordos is een stad die in korte tijd zeer rijk is geworden, voornamelijk dankzij enorme steenkoolvoorraden. Ze bestaat uit drie districten: Dongsheng, Azhen, en Kangbashi. Kangbashi is de jongste van het stel en in het kader van deze serie de meest interessante. Het is een stad op zich, die op een kleine 30 kilometer van het “Oude Ordos” ligt, en is in tien jaar tijd uit de grond gestampt. Waar voor 2004 enkel woestijn te vinden was, staan nu wolkenkrabbers met luxueuze appartementen, grote villa’s, en hypermoderne architectonische bouwwerken. Je vindt er een uitgebreide bibliotheek, een Culture and Arts Center met één verdieping boven de grond en liefst vijf onder de grond, een museum dat een kunstwerk op zich is, theaters, sportvelden, grote parken, brede straten — en alles is nieuw en alles glimt. Voor Kangbashi heeft men zelfs het plan er een “groene stad” van te maken, dus met duurzame energievoorzieningen — toch niet het eerste dat je met Chinese steden associeert. Kortom, een moderne droomstad. Maar er mist iets: inwoners.

Kangbashi is namelijk vrijwel onbewoond. In 2010, zo was berekend, zou het district 300.000 inwoners hebben: ze telde dat jaar een schamele 30.000 bewoners. De meesten daarvan zijn ook nog eens tijdelijk: bouwvakkers, want de bouw van huizen en appartementen gaat onverminderd voort. In het oorspronkelijke plan huisvest Kangbashi uiteindelijk liefst 1 miljoen Chinezen. Een goede oplossing voor de enorme trek van platteland naar stad, zou je denken, ware het niet dat de prijzen van het vastgoed daarvoor veel te hoog liggen. De woningen worden dan ook massaal opgekocht door de nouveaux riches van China, die het opkopen van de luxueuze woningen in het nieuwe district als een goede investering zien. Ze kopen geen huizen met het idee erin te gaan wonen, maar omdat de waarde van het vastgoed in China onverminderd stijgt: economen spreken van een gigantische vastgoedbubbel die ooit moet gaan barsten. Voorlopig ziet het er echter nog niet naar uit. Er wordt vrolijk doorgebouwd in de woestijn, het GDP (gross domestic product) vertoont al decennialang een stijgende lijn, evenals de huizenprijzen in Kangbashi. Of dit op de lange termijn vol te houden is, is nog maar de vraag.

Hoe de economische toekomst ook maar zal zijn, Kangbashi staat nu al jarenlang als symptoom van de gouden Chinese tijden in de woestijn van Binnen-Mongolië te glinsteren. Behalve de eerder genoemde bouwvakkers zijn er wat ambtenaren te vinden: het lokale bestuur van Ordos is namelijk al wel in het nieuwe district gehuisvest. De meeste ambtenaren kiezen er echter voor om zelf in het oude Dongsheng te blijven wonen.

Deze afwezigheid van permanente inwoners maakt het voor winkels en restaurants zeer onaantrekkelijk om zich in Kangbashi te vestigen: geen inwoners betekent immers geen inkomsten. De overheid doet intussen wel haar best om de stad op gang te helpen, en heel voorzichtig lijkt er wat meer leven te komen in het district, dat al vaak is aangehaald als voorbeeld van het ongecontroleerde Chinese bouwen van overbodige infrastructuur en huizen: het inwonersaantal zou toegenomen zijn tot zo’n 70.000 (officiële cijfers kon ik niet vinden), en de eerste tekenen van commerciële industrie zijn zichtbaar. De overheid heeft hieraan bijgedragen door ondernemers gratis ruimte aan te bieden, gratis openbaar vervoer en verblijf, jarenlange vrijwaring van belastingen, en flinke kortingen op gas, water, en licht.

Of het voldoende is om de spookstad tot leven te wekken, zullen we in de komende tien jaar zien. De Chinezen zien in ieder geval geen problemen. Het nieuwe district ziet er vooralsnog mooi en nieuw uit, de steenkoolmiljonairs hebben vastgoed om in te investeren, het GDP stijgt maar door. Dat Kangbashi voorlopig even zielloos is als de immense bronzen beelden die de gigantische, verlaten pleinen sieren, zal de investeerders een zorg zijn. En of de droomstad ooit een levende werkelijkheid wordt, zal de toekomst uitmaken.


Lege wegen leiden naar Kangbashi.


Luxueuze villawijken waar geen mens woont.

© Michael Christopher Brown for TIME


Het Wumulunplein; één bezoeker en een kudde paardenbeelden.


Het Linyinluplein.


Het Ordos Museum.