Posts tonen met het label Grijze stenen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Grijze stenen. Alle posts tonen

zaterdag 26 augustus 2017

Grijze stenen – Aflevering 7: Hotel Fjord te Kotor

In tweeëneenhalve week tijd in (voornamelijk) Montenegro heb ik enorm veel mooie dingen mogen zien. Qua natuur, maar ook qua gebouwen. Het meest in het oog springend was een verlaten hotel in Kotor, aan de baai van, jawel, Kotor. Onze Airbnb lag er vlak naast. Hotel Fjord heette het, en het was een enorm complex dat aan alle kanten vergane glorie ademde. Ik ben er even naar binnen gegaan, heb wat foto’s genomen, en onze host kon ons van wat achtergrondinformatie voorzien. Google vulde aan, en zodoende kon ik dit artikel schrijven: het verhaal over de opkomst en ondergang van Hotel Fjord te Kotor.


Een tennisbaan, een zwembad, 155 kamers, 4 suites, een conferentiezaal, restaurants en meerdere bars… Toen Hotel Fjord in 1986 opende mikte het op een clientèle van filmsterren, artiesten, en de top van het zakenleven. Die kreeg het ook. In de jaren ’80 wisten bekendheden sowieso in grote getale de weg naar de Montenegrijnse kust te vinden — o.a. Sophia Loren, Marilyn Monroe, en Elizabeth Taylor worden vaak genoemd als liefhebbers van de regio. Van dit mondaine toerisme was Hotel Fjord het stralende centrum. Helaas heeft het maar een paar jaar mogen schitteren.

Met de Joegoslavië-oorlogen, in de jaren ’90, nam het toerisme een duikvlucht. De kamers van Hotel Fjord bleven grotendeels leeg, en de schatkist van het toch wel ietwat megalomane project liep langzaam leeg. In 2005, slechts één jaar voordat Montenegro onafhankelijk werd en het herstel inzette, was de bodem echt bereikt. Hotel Fjord was failliet. De inboedel werd eruit gehaald en het enorme karkas bleef ontzield achter.

Een jaar later al werd het lege hotel verkocht aan een wat dubieuze Ierse investeerder, Michael Fingleton. (Na maanden van politieke druk moest Fingleton in 2009 uit het investeringswezen stappen, vanwege een bonus van 1 miljoen dollar die hij geaccepteerd had vlak nadat de gevolgen van de Ierse bankencrisis zichtbaar werden.) Ook de investering in Hotel Fjord bleek schimmig. Ruzies met voormalige zakenpartners, beschuldigingen dat de deal corrupt was… Het renovatieplan is nooit van de grond gekomen.

Het afbrokkelende hotel ligt daarom vandaag nog altijd als een slapende reus aan de voet van het oude, ommuurde Kotor. De terrassen aan zee worden ’s zomers dagelijks bevolkt door zowel inwoners van Kotor als toeristen die verkoeling zoeken. Ook de tennisbanen, hoewel wat verouderd, worden nog altijd gebruikt. Verder zitten er wat krakers en hangen er wat katten rond. Vanaf het hotel heb je mooi zicht op de cruiseschepen die in het bescheiden haventje van Kotor aanmeren: het zijn soms haast drijvende flatgebouwen. Het contrast tussen het glanzende wit van de gigantische boten en het trieste grijs van het kwijnende hotel is enorm.

Maar hoe treurig de geschiedenis van Hotel Fjord ook mag klinken, Kotor heeft er in wezen een pracht van een gebouw aan overgehouden. Een gebouw dat de geschiedenis van de stad en de regio laat zien, een gebouw dat ons herinnert aan de Joegoslavië-oorlogen — helemaal zo lang geleden nog niet. Tel daar de huidige functie van het hotel bij op, plus de wens dat Kotor geen Dubrovnik wordt (massatoerisme!); dan is de logische conclusie dat we alleen maar blij mogen zijn met dhr. Fingleton en zijn nooit uitgevoerde renovatie!


Hotel Fjord in haar gloriedagen. Bron eerste foto, bron tweede foto, bron derde foto.


Hotel Fjord nu. Allemaal eigen foto’s.


De achterkant van het hotel, gezien vanaf het water. De terrassen aan zee worden nog altijd bezocht door badgasten.


De entree.


Het buitenzwembad is allang niet meer in gebruik…


… en het binnenzwembad ook niet.


Trappenhuis.

zaterdag 27 mei 2017

Grijze stenen – Aflevering 6: Renaissance in Italië en Parijs

Binnen een paar dagen tijd las ik in de Volkskrant twee interessante artikelen over min of meer hetzelfde onderwerp: het nieuw leven inblazen van oude, vervallen gebouwen en/of terreinen. Ik ben groot fan van zulke projecten. Noem het een statement tegen de wegwerpmaatschappij, noem het de hang naar nostalgie waar ik vaker mee te kampen heb: hoe dan ook wordt mijn interesse direct gewekt bij zulke artikelen. Maar waar de meeste mensen pas enthousiast worden wanneer die oude fabriek, omgetoverd tot hippe eetplek, zelfgebrouwen bier schenkt en superfood serveert, ben ik misschien nog wel méér aangetrokken tot deze panden wanneer ze nog in vervallen staat verkeren. Waar is de glans van weleer? Wat is daar gebeurd? Ergens ben ik haast ontroerd dat vergane glorie zo mooi in het landschap ingebed kan zijn, als lang slapende reuzen, klaar om gewekt te worden en een tweede leven te beginnen. Klaar voor hun wedergeboorte.

De artikelen die ik las gingen over twee grote, door de overheid opgezette projecten. Allereerst Italië: in een poging het toerisme buiten de grote steden een impuls te geven, biedt het Agenzia del Demanio (dat onroerend goed van de staat beheert) 103 kastelen, villa’s, en andere panden gratis en voor nop aan. Ze liggen stuk voor stuk langs oude historische routes die door de binnenlanden van Italië en op Sicilië en Sardinië dwalen. De mate van verwaarlozing is verschillend: het ene pand lijkt slechts licht afgebladderde kozijnen te hebben (maar dankzij Ik vertrek weten we wel beter dan optimistisch te zijn in zulke gevallen), het andere is niet meer dan een ruïne te noemen.

Voorwaarde voor het overnemen van de eigendomsakte is dat de nieuwe uitbater het pand opknapt en er een toeristische functie aan geeft, liefst ecologisch verantwoord.

Fantastisch plan! Lekkerbekkend klikte ik me door de foto’s heen die de krant verzameld had. Van enorme buitenverblijven tot vervallen schuurtjes, er is van alles wat. Mijn favoriet is toch wel het grijze spoorhuisje, dat tussen het onkruid langs een enkel spoorlijntje staat weg te kwijnen. Gebroederlijk ernaast staat een klein bijgebouwtje, ik denk dat het een kapelletje is. Ook heb ik een zwak voor de eenzame, middeleeuwse woning die rond een binnenplaats gebouwd is en een eigen kerk en toren heeft. Wat is hier gebeurd? Welke kleurrijke figuren hebben hier gewoond? En hoe kan het dat de slop erin is gekomen?

Mocht je nog eens in Ik vertrek willen figureren en mocht je het aandurven een toeristische uitspanning op te bouwen in de outback van Italië, grijp dan nu je kans! Reageren kan tot 26 juni.


Casa Cantoniera (Provincie Matera, Basilicata). ‘Casello’ van twee verdiepingen, in de Bradano Vallei. © camminiepercorsi


Grancia S.Maria del Vetrano (Matera, Basilicata). Middeleeuwse woning, gebouwd rond een binnenplaats en met een eigen kerk en toren. © camminiepercorsi

Palazzina in Villa Bonelli (Barletta-Trani, Puglia). Villa met tuin uit de late 18e eeuw. Werd vroeger gebruikt als zomerverblijf. © camminiepercorsi


Dan Parijs, waar het tweede artikel over ging. Ook in Parijs liggen de vervallen gebouwen en plekken momenteel voor het oprapen. De gemeente heeft het project Réinventer Paris gestart, een initiatief waarbij ideeën kunnen worden aangedragen voor de herinrichting van (semi-)openbare ruimtes. Van in onbruik geraakte tunnels tot een verlaten Renaultgarage, van een strook loze ruimte onder een metroviaduct tot een oude bowlingbaan: Parijs herbergt een keur aan prachtige plekken die momenteel voor het publiek ontoegankelijk zijn.

Complimenten voor de fotografen, overigens! Hoewel niet alle foto’s van hoge kwaliteit zijn, verheft een aantal de toch rauwe plaatsen tot pure kunst. Wat te denken van het kleurrijke metrostation Croix Rouge? Of van de eerder genoemde Espace viaire Ligne 6?

Op de site kunnen burgers in het wilde weg meedenken over de herinrichting. En dat heeft al veel reacties uitgelokt. De meeste zijn totaal niet onderbouwd en geeft de ruimte voor reacties meer het aanzien van een verlanglijst: “un complexe cinéma”, “un parc pour enfants avec aire de jeux”, “un musée d’art contemporain”. Sommige reacties zijn al wel wat verder uitgewerkt. Marc Lelièvre ziet bijvoorbeeld een permanente tangogelegenheid (met parketvloer!) in het oude transformatorhuis voor zich. Hij vult aan dat de buren er geen last van mogen hebben én dat de dansvloer tot laat open moet zijn. “Les danseurs de tango sont des couche-tard” aldus Marc, oftewel, tangodansers zijn nu eenmaal nachtbrakers.

Ik ben benieuwd wat er voortkomt uit dit Parijse initiatief. Babbelende burgers die hun wensen doorgeven zullen concreet niet direct wat betekenen, maar wie weet komen uit dit gebrainstorm goede ideeën voort die door serieuze partijen kunnen worden opgepakt. Vooralsnog heeft dit project in ieder geval een strak vormgegeven site opgeleverd met mooie foto’s van (veelal verborgen) vergane glorie. Voor de nostalgici.


Espace viaire Ligne 6 : lege ruimte onder een metroviaduct

Verlaten bowlingcomplex “Champerret”

Metrostation Croix Rouge

zondag 6 maart 2016

Grijze stenen – Aflevering 5: Kaserne Krampnitz

Afgelopen paar dagen was ik in mijn lievelingsstad Berlijn. Heerlijk! Na mijn vorige bezoek aan de stad schreef ik al over Tempelhof, vandaag zal het gaan over een plek even buiten Berlijn: Kaserne Krampnitz.

Met dank aan deze blog over Berlijn kwamen we op het idee om op de terugweg naar Nederland een tussenstop te maken bij Kaserne Krampnitz. Dit is een in 1937 gebouwde nazi-kazerne, die in 1945 door de Russen is overgenomen en tot 1992 gebruikt werd. Het is een uitgestrekt terrein met meer dan 80 gebouwen, waarvan het merendeel barakken zijn waar de soldaten woonden.

Na de Russische terugtrekking zijn de gebouwen leeg komen te staan. En dat is nu al 24 jaar zo. Inmiddels zijn de barakken in verregaande staat van verval, en is de natuur een heel eind op weg het terrein terug te winnen.

Officieel mag je het terrein niet betreden. Maar het hek dat er omheen staat, is op veel plekken een lachertje. Daarbij wordt het geheel ook niet echt bewaakt, wat gezien de uitgestrektheid en de verlatenheid ook wel logisch is: het hele terrein in de gaten houden zou flinke kosten met zich meebrengen. En daarbij, wie zou nu geïnteresseerd zijn in verlaten, vervallen gebouwen? Nou, wij dus.

Wat het meeste indruk op me maakte tijdens het struinen door de verlaten en overwoekerde straten, was niet eens zozeer de omvang van het terrein en het grote aantal lege gebouwen dat daar maar stond te staan. Veel meer nog dan dat waren het de zo tastbare herinneringen aan de mensen die er gelegerd waren, waarvan de sporen tot in de kleinste details nog zichtbaar waren.

De indeling van de barakken, met de kleine woonkamertjes waar de kachels soms nog in stonden. De kastjes tegen de muren — nu zijn ze leeg, maar ooit hebben hier boeken in gelegen, elpees, serviesgoed? De gordijntjes die rafelig uit de gebroken of soms volledig ontbrekende ramen fladderen en die van een haast ontroerende truttigheid zijn. Bij soldaten zou je toch iets anders verwachten dan witte, kanten gordijntjes. De verroeste fornuizen en de vergeelde badkuipen. En tenslotte de stukken Russische krant die overal achter het behang vandaan komen, met tussen het cyrillische schrift soms een jaartal dat er ineens goed leesbaar uitspringt. ‘1985’ zag ik ergens staan. Die krant is daar dus al langer dan dat ik überhaupt besta.

Helaas werden we na een uur dwalen weggestuurd door een man die kennelijk een soort van bewaker was. Dit ging gelukkig zonder al te veel ellende: we moesten simpelweg het terrein af. Jammer, want er was nog veel te zien geweest!

Mocht je met de auto naar Berlijn gaan, dan is Kaserne Krampnitz echt een aanrader om onderweg te bezoeken. Want hoewel de vervallen gebouwen een mooi geheel vormen met de natuur en een heerlijke desolate sfeer ademen, komt de geschiedenis hier echt tot leven wanneer je iets beter kijkt en je verbeelding haar werk laat doen. Bedenk wat voor mannen er gewoond hebben in de barakken die je ingaat. Bedenk of ze hun familie in Rusland zouden missen. Zouden ze foto’s van hun gezinnen aan de muur hebben hangen? Bedenk dat je naar hetzelfde behang kijkt als waar de soldaten jarenlang tegenaan hebben gekeken. Bedenk dat je over dezelfde wegen loopt, en dat waar nu stilte en vredigheid heerst, de lucht vroeger gonsde van Russische gesprekken en bevelen. Bedenk dat hoewel het zó lang geleden lijkt, het in feite nog geen 30 jaar geleden is dat er Russen in Berlijn en omgeving gelegerd waren. En vooral: bedenk dat je nu eens niet in een museum loopt, maar een wandeling door de geschiedenis zélf maakt.


Praktische informatie

Rij om bij Kaserne Krampnitz te komen Berlijn aan de westkant uit. Volg de A2 richting Potsdam. Je komt vanzelf langs het dorpje Krampnitz (vanaf Berlin-Mitte ca. 40 km), dat ligt aan de linkerkant van de weg. Rij nog een klein stukje door over de A2 — je ziet nu vanzelf een oude wachttoren aan de rechterkant van de weg. Die hoort al bij de kazerne. Rij nóg een stukje door, en neem de eerste afslag naar rechts. Dit is een klein weggetje dat naar wat moderne huizen leidt. Ga op de T-splitsing die direct volgt naar links, volg de bocht naar rechts, en ga verderop weer naar rechts het doodlopende straatje in. Parkeer daar de auto; je bent nu hier en kunt vanaf daar te voet verder. Zoals je ziet is het terrein echt heel uitgestrekt, dus neem ruim de tijd om de boel te verkennen. En hou je aan de ongeschreven regels: take nothing but pictures, leave nothing but footprints. Viel spass!

zondag 29 december 2013

Grijze stenen – Aflevering 4: Kangbashi

In Binnen-Mongolië, een provincie in het noorden van China, vinden we een heel interessante stad: Ordos. Ordos is een stad die in korte tijd zeer rijk is geworden, voornamelijk dankzij enorme steenkoolvoorraden. Ze bestaat uit drie districten: Dongsheng, Azhen, en Kangbashi. Kangbashi is de jongste van het stel en in het kader van deze serie de meest interessante. Het is een stad op zich, die op een kleine 30 kilometer van het “Oude Ordos” ligt, en is in tien jaar tijd uit de grond gestampt. Waar voor 2004 enkel woestijn te vinden was, staan nu wolkenkrabbers met luxueuze appartementen, grote villa’s, en hypermoderne architectonische bouwwerken. Je vindt er een uitgebreide bibliotheek, een Culture and Arts Center met één verdieping boven de grond en liefst vijf onder de grond, een museum dat een kunstwerk op zich is, theaters, sportvelden, grote parken, brede straten — en alles is nieuw en alles glimt. Voor Kangbashi heeft men zelfs het plan er een “groene stad” van te maken, dus met duurzame energievoorzieningen — toch niet het eerste dat je met Chinese steden associeert. Kortom, een moderne droomstad. Maar er mist iets: inwoners.

Kangbashi is namelijk vrijwel onbewoond. In 2010, zo was berekend, zou het district 300.000 inwoners hebben: ze telde dat jaar een schamele 30.000 bewoners. De meesten daarvan zijn ook nog eens tijdelijk: bouwvakkers, want de bouw van huizen en appartementen gaat onverminderd voort. In het oorspronkelijke plan huisvest Kangbashi uiteindelijk liefst 1 miljoen Chinezen. Een goede oplossing voor de enorme trek van platteland naar stad, zou je denken, ware het niet dat de prijzen van het vastgoed daarvoor veel te hoog liggen. De woningen worden dan ook massaal opgekocht door de nouveaux riches van China, die het opkopen van de luxueuze woningen in het nieuwe district als een goede investering zien. Ze kopen geen huizen met het idee erin te gaan wonen, maar omdat de waarde van het vastgoed in China onverminderd stijgt: economen spreken van een gigantische vastgoedbubbel die ooit moet gaan barsten. Voorlopig ziet het er echter nog niet naar uit. Er wordt vrolijk doorgebouwd in de woestijn, het GDP (gross domestic product) vertoont al decennialang een stijgende lijn, evenals de huizenprijzen in Kangbashi. Of dit op de lange termijn vol te houden is, is nog maar de vraag.

Hoe de economische toekomst ook maar zal zijn, Kangbashi staat nu al jarenlang als symptoom van de gouden Chinese tijden in de woestijn van Binnen-Mongolië te glinsteren. Behalve de eerder genoemde bouwvakkers zijn er wat ambtenaren te vinden: het lokale bestuur van Ordos is namelijk al wel in het nieuwe district gehuisvest. De meeste ambtenaren kiezen er echter voor om zelf in het oude Dongsheng te blijven wonen.

Deze afwezigheid van permanente inwoners maakt het voor winkels en restaurants zeer onaantrekkelijk om zich in Kangbashi te vestigen: geen inwoners betekent immers geen inkomsten. De overheid doet intussen wel haar best om de stad op gang te helpen, en heel voorzichtig lijkt er wat meer leven te komen in het district, dat al vaak is aangehaald als voorbeeld van het ongecontroleerde Chinese bouwen van overbodige infrastructuur en huizen: het inwonersaantal zou toegenomen zijn tot zo’n 70.000 (officiële cijfers kon ik niet vinden), en de eerste tekenen van commerciële industrie zijn zichtbaar. De overheid heeft hieraan bijgedragen door ondernemers gratis ruimte aan te bieden, gratis openbaar vervoer en verblijf, jarenlange vrijwaring van belastingen, en flinke kortingen op gas, water, en licht.

Of het voldoende is om de spookstad tot leven te wekken, zullen we in de komende tien jaar zien. De Chinezen zien in ieder geval geen problemen. Het nieuwe district ziet er vooralsnog mooi en nieuw uit, de steenkoolmiljonairs hebben vastgoed om in te investeren, het GDP stijgt maar door. Dat Kangbashi voorlopig even zielloos is als de immense bronzen beelden die de gigantische, verlaten pleinen sieren, zal de investeerders een zorg zijn. En of de droomstad ooit een levende werkelijkheid wordt, zal de toekomst uitmaken.


Lege wegen leiden naar Kangbashi.


Luxueuze villawijken waar geen mens woont.

© Michael Christopher Brown for TIME


Het Wumulunplein; één bezoeker en een kudde paardenbeelden.


Het Linyinluplein.


Het Ordos Museum.

woensdag 23 oktober 2013

Grijze stenen – Aflevering 3: moderne Olympische ruïnes

Over pak ’m beet drieëneenhalve maand beginnen de Olympische Winterspelen in Sochi. Zoals het hoort worden er nieuwe, hypermoderne stadions uit de grond gestampt voor het evenement; op http://www.sochi2014.com/en/games/places/ zijn heerlijk gladde artist impressions te zien van de liefst elf nieuwe sportlocaties die in de steigers staan, en die luisteren naar namen als “Fisht”, “Bolshoy”, “Iceberg”. De stadions en sporthallen zijn verdeeld over twee gebieden: de zogeheten Mountain Cluster en de Coastal Cluster. Tussen deze clusters wordt een railverbinding aangelegd, zodat de bezoekers binnen een half uur van het ene architectonische walhalla naar het andere vervoerd kunnen worden.

Allemaal leuk voor de liefhebbers van moderne bouwwerken, maar in deze reeks gaat het natuurlijk niet om mooie, nieuwe designgebouwen. In dit artikel aandacht voor een andere kant van de Olympische medaille: er zijn namelijk in de loop der jaren veel stadions en faciliteiten speciaal voor het grootste sportevenement van de wereld gebouwd om daarna, als ze niet meer nodig zijn, in onbruik te raken en gedoemd te zijn tot verval. Een rondleiding langs een aantal moderne Olympische ruïnes.

Allereerst: één van de zwembaden van de Spelen van 1952 in Finland. Erin zwemmen kan allang niet meer:

En wat te denken van het treinstation dat in München speciaal voor de Olympische Spelen van 1972 is aangelegd:

Twin City Photos

De baan waar tijdens de Winterspelen van 1984 bobsleeërs vanaf denderden, slingert nu als een vervallen betonnen gevaarte door de bossen in de buurt van Sarajevo, overwoekerd door planten:

Dark Optics

Karen Barlow via cloudlessness

In Athene, waar in 2004 de Olympische kermis neerstreek, zijn enorm veel in onbruik geraakte faciliteiten. Ergens wel toepasselijk, dat in de stad die al bekend staat om de vele overblijfselen uit de oudheid een nieuwe generatie ruïnes onderweg is. Aan de archeologen van de toekomst wordt vast gedacht!

Het Olympisch softbalstadion is sinds jaren verlaten, op het veld tiert het onkruid welig:

AP

Het trainingszwembad in het Olympisch dorp is overgenomen door kikkers:

AP

De wildwaterbaan waar in 2008 de kayakwedstrijden in Beijing op gehouden werden, was ook geen lang leven beschonken. De volgende foto’s zijn gemaakt in 2012: aan de toegangspoort hangt een roestig bord, de waterbak zelf is leeg en verlaten:

REUTERS/David Gray

Ook op het beachvolleybal lijken de Chinezen na 2008 uitgekeken te zijn. Het stadion waar de beachvolleybalwedstrijden gehouden werden is verlaten en wordt niet meer onderhouden:

REUTERS/David Gray

Zijn al deze in onbruik geraakte stadions, zwembaden, en andere sportfaciliteiten zonde van het geld en de moeite geweest? Misschien. Toch vind ik dat de eenzaamheid, de verlatenheid van de eens zo prestigieuze werken ook iets van charme heeft. Eigenlijk zijn deze Olympische bouwwerken zo eenzelfde lot beschoren als veel sporters: het ene moment is glorieus, het volgende moment is de oude kampioen vergeten en kijkt iedereen naar de nieuwe ster. Aan Kramer, Wüst, en de rest van de Nederlandse equipe de opdracht om dat niet te laten gebeuren in Sochi, volgend jaar februari. De gebouwen daarentegen mogen wat mij betreft best in vergetelheid raken — graag zelfs!

maandag 19 augustus 2013

Grijze stenen – Aflevering 2: Grote nutteloze werken

Schreef ik in de vorige keer over een duister deel van Hong Kong, ditmaal zal ik het luchtiger houden. In deze aflevering aandacht voor een aantal zogeheten “Grands travaux inutiles”, afgekort “GTIs”, vertaald “Grote nutteloze werken”. Oftewel, grootschalige openbare werken die, al dan niet afgemaakt, jarenlang ongebruikt staan en volkomen nutteloos hun plek in het landschap innemen. De term “Grands travaux inutiles” is bedacht door Jean-Claude Defossé, een Belgische journalist die in 1990 het boek Le Petit Guide des Grands Travaux Inutiles publiceerde met daarin een overzicht van nutteloze bouwwerken in België. Ik hoorde er een paar jaar geleden voor het eerst over, toen Wessel de Jong in zijn zomercolumn voor de NOS een aantal liet zien. Ik heb toen hardop lachend voor de tv gezeten.

GTIs zijn namelijk eigenlijk grote grappen in het wild. Bruggen waar geen weg aan vast zit, metrostations waar nooit een metro langskomt, kanalen die feitelijk niets met elkaar verbinden... Het slaat allemaal helemaal nergens op, en daarom kun je er maar beter de lol van inzien. De (serieuze) vraag die zich daarna vrij snel aandient, is waarom? Waarom bestaan er zulke nutteloze grote bouwwerken, hoe kan dit? Kort door de bocht: vaak zijn GTIs gebouwd met het oog op een toekomst die zich toch iets anders dan gepland bleek te ontvouwen. Daarbij zijn in België veel GTIs het gevolg van de zogeheten “wafelijzerpolitiek” die de regering jarenlang bedreef. Dit hield in dat Wallonië en Vlaanderen evenveel subsidie moesten krijgen, ongeacht of de investeringen die ermee gedaan werden echt zinvol waren.

Mijn twee favorieten uit de uitgebreide GTI-collectie van onze zuiderburen:

Met stip op nummer één: de vrijstaande bruggen van Varsenare. Tussen Varsenare en Jabbeke stonden jarenlang twee onafgebouwde bruggen in het weiland. Ze werden in 1976/1977 daar neergezet, met het oog op een toekomstige autosnelweg van Kortrijk naar Zeebrugge. Deze weg kwam er echter nooit, mede door protesten van diverse milieubewegingen en landbouwers, en zo kon het dat de spookbruggen in al hun nutteloosheid daar maar gewoon stonden. Om de drie jaar werd gecontroleerd of de constructies nog veilig waren, met het oog op eventuele wandelaars en het treinverkeer dat onder één van de bruggen door raasde. De kosten voor onderhoud en inspectie waren echter vrij hoog, vooral gezien de totale nutteloosheid van de bruggen. Daarom werd in oktober 2011 de vrijstaande brug afgebroken; de brug over de spoorweg ging in januari 2012 tegen de vlakte. Eeuwig zonde, als je het mij vraagt.

Vrijstaande brug bij Varsenare.

Op een mooie tweede plaats: het spookstation Sainctelette in Brussel. Sainctelette is een metrostation in Brussel op lijn 2 en 6 dat nooit in gebruik is genomen. Er is meer dan tien jaar aan gewerkt — maar uiteindelijk besloot het vervoerbedrijf MIVB dat het station toch net te dicht op de aangrenzende stations Ribaucourt en IJzer ligt. Vanuit de metro zijn de (overigens onafgebouwde) perrons en trappen goed zichtbaar, en het station had zelfs al een (anoniem) plekje op de aankondigingsborden in de andere stations verworven (zie foto, rood omkaderd).

Aankondigingsbord van de Brusselse metro. Rood omkaderd de plek van spookstation Sainctelette.

Ook in Duitsland, toch het land van de verantwoorde uitgaven, komen GTIs voor. Voor vrijstaande bruggen hebben onze oosterburen zelfs een apart woord bedacht: “Soda-Brücke”, van “so da”, “zomaar”. Bij Castrop-Rauxel staat sinds 1978 een fraai exemplaar.

“Soda-Brücke” bij Castrop-Rauxel.

En ja, ook in Nederland zijn er veel nutteloze werken te vinden. Behalve ongebruikte tunnels, bruggen, en stations heeft ons land nog veel meer nutteloze pracht te bieden. Wat te denken van Kasteel Almere? In een uiterste poging Almere wat historisch cachet te geven, werd in 2000 begonnen met de bouw van een heus kasteel. Helaas bleken de kosten veel hoger uit te vallen dan gepland, en daarom werd het project in 2002 stilgelegd. Een jaar later gingen er stemmen op voor het bouwen van appartementen op de locatie, maar het bestemmingsplan stond al vast op “recreatie/horeca”. Bovendien, zo vertelde de gemeente, kón er ook eigenlijk niets anders dan een kasteel gebouwd worden, omdat de bouwtekeningen al in het bestemmingsplan opgenomen waren. In 2005 werd het project overgenomen door Gravin BV. Zij kwamen twee jaar later met het voorstel om naast de oorspronkelijke opzet — een trouwlocatie en horecagelegenheid — ook woningen op het terrein te realiseren. Helaas, de gemeente Almere wilde niet van het bestemmingsplan afwijken. Een plan om het bouwfiasco te redden is er tot op heden niet, en het kasteel ligt er nog altijd net zo half afgemaakt bij als in 2002. Toch is het eigenlijk wat voorbarig om het hele project als GTI te bestempelen, want, zoals een woordvoerder van de gemeente Almere zei: “Vroeger duurde het afbouwen van een kasteel ook wel eens honderd jaar”.

(Spook)kasteel Almere. Foto uit 2012.

vrijdag 9 augustus 2013

Grijze stenen – Aflevering 1: Kowloon Walled City

Ik heb altijd een fascinatie gehad voor gebouwen en bouwwerken. En dan heb ik het niet over hypermoderne wonderen als wolkenkrabbers die met de zon meedraaien, of oude pracht als die bekende fotogenieke toren in Pisa. Nee, wat mijn aandacht trekt zijn vervallen gebouwen, ontdaan van alle glorie zo die er ooit geweest is, troosteloze flats die de stille getuigen vormen van afgesloten hoofdstukken uit de geschiedenisboeken, of verlaten bouwwerken die slechts hun tijd lijken uit te zitten — tot ze door planten overwoekerd worden, dieren er hun schuilplaats in vinden, of de rand van de menselijke samenleving er haar plek in vindt (zo heeft het verhaal dat er onder New York in ongebruikte metrotunnels en -stations een “tweede stad” bestaat, bewoond door zwervers, junks, en andere randfiguren van de samenleving bovengronds, me mateloos geboeid).

Dit stuk is de aftrap van een serie artikelen die ik van plan ben te gaan schrijven. In elk artikel belicht ik één of meer gebouwen, bouwwerken, of — zoals in dit artikel direct het geval is — een heel stadsdeel.

In dit eerste artikel zal ik het hebben over Kowloon Walled City. Onlangs kwam ik op internet een artikel tegen over dit deel van Hong Kong, waar de steegjes zo smal en de flats zo hoog en zo wanordelijk gebouwd waren, dat er vanaf de grond geen hemel te zien was. Jarenlang was deze “stad in een stad” een vrijplaats voor junks, prostituees, criminelen, en andere randfiguren; de belangrijkste reden hiervoor was dat onduidelijk was onder welk gezag het stadsdeel viel. Afgelopen dagen heb ik me verder verdiept in dit onderwerp, waar ik voorheen nog niets vanaf wist. De geschiedenis is even fascinerend als afschuwwekkend.

Kowloon Walled City: stad in een stad

Oorspronkelijk was Kowloon Walled City een Chinees fort in het Hong Kongse stadsdeel Kowloon City District, waar de Chinezen geen afstand van wilden doen toen Hong Kong in 1842 in handen van Groot-Brittanië viel. Door aan dit ommuurde stadsdeel vast te houden, konden ze vanuit het centrum van het zojuist overgenomen Hong Kong de nieuwe machthebbers in de gaten houden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog viel Hong Kong, en daarmee ook Kowloon Walled City, in Japanse handen. In deze periode werden de vestigingsmuren afgebroken, omdat de Japanners bouwmaterialen nodig hadden voor de aanleg van een vliegveld in de buurt.

Na de Tweede Wereldoorlog was de territoriale status van het stadsdeel schimmig; de Chinezen beschouwden Kowloon Walled City als een onderdeel van haar territorium, maar hadden er feitelijk geen gezag, terwijl het gebied ook weer geen deel was van het Britse Hong Kong. Invallen van de Hongkongse politie in het gebied, hoe noodzakelijk ook, leidden tot felle diplomatieke protesten vanuit China. De combinatie met de openlijk anti-Britse sfeer en de ondoorgrondelijke duisternis in het labyrint van kleine steegjes zorgde ervoor dat de Britse autoriteiten al snel hun grip verloren op Kowloon Walled City. Van 1950 tot 1970 lag de werkelijke macht dan ook in handen van Hongkongse-Chinese criminele organisaties, de zogeheten Triades.

Kowloon Walled City. Op de achtergrond de moderne wolkenkrabbers van Hong Kong.
Kowloon Walled City.

De bevolking groeide explosief, aangezien van alle kanten vluchtelingen, prostituees, en criminelen toestroomden naar dit wetteloze stadsdeel. In 1987 woonden er liefst 33.000 inwoners in het gebied, dat slechts 210 bij 120 meter telde. De flatgebouwen stonden zij aan zij, en telkens werden er maar weer nieuwe verdiepingen bovenop gebouwd. Onderling waren de flats verbonden door loopbruggen — het was mogelijk om heel Kowloon Walled City van noord naar zuid te doorkruisen zonder maar één keer de grond te raken. Zonlicht drong amper tot niet door in de steegjes, die vaak slechts één à twee meter breed waren, en uit lekkende leidingen en airco’s drupte onophoudelijk water naar beneden. De woningen waren piepklein, vochtig, en vaak niet voorzien van een raam. Alleen de bewoners die het geluk hadden aan de buitenkant van Kowloon Walled City te wonen, vingen zonlicht vanuit hun aangebouwde balkons, die als een soort kooien aan hun flats hingen. Jackie Pullinger, een Britse missionaris die jarenlang een kliniek voor drugsverslaafden in de wijk runde en er zelf ook woonde, zei over Kowloon Walled City: “It’s a very unhealthy place. I live here, and my room is wet, all the time. I don’t know if it’s night or day when I wake up. I take the telephone then, and ask. I also ask about the weather.”

In Standaardkantonees werd Kowloon Walled City vaak aangeduid met Wôong, Toow, Tok — “prostitutie, gokken, drugs”. Dit was niet voor niets. Sexshops, duistere gokruimtes, en narcoticalaboratoria waren overal te vinden. Ook stond Kowloon Walled City bekend om de goedkope dokters en tandartsen die er opereerden: geen enkele instantie die om diploma’s vroeg, of die in de gaten hield wat er nou precies gebeurde in de smoezelige achterkamertjes die dienst deden als operatieruimte. Er was geen politie, er waren geen wetten.

Toch was er wel degelijk een zekere orde in Kowloon Walled City. De eerder genoemde Hongkongse-Chinese maffia had de touwtjes in handen, en zolang de inwoners een bepaald bedrag aan hen afdroegen, handhaafden zij de orde. Verreweg de meeste inwoners waren zelf niet betrokken bij criminele activiteiten. Zij leefden een hard, maar eerlijk leven in de flats. Er waren veel eenmanszaken, bijvoorbeeld voor de productie van noodles, plastic tassen, of namaakartikelen zoals horloges. Omdat er geen voorschriften waren omtrent de werkomstandigheden, maakten de bewoners veelal werkdagen van zo’n twaalf uur. Als een menselijke robot, niet gehinderd door enige veiligheids- of hygiënevoorschriften, produceerden ze goederen die in de rest van Hong Kong en ver daarbuiten gretig aftrek vonden. Nergens was productie zo goedkoop als in Kowloon Walled City — de economie van Hong Kong, die wonderbaarlijke snel groeide, heeft hier veel profijt gehad.

Maar Kowloon Walled City was boven alles een hoofdpijndossier voor zowel de Britse als de Chinese overheid. De erbarmelijke levensomstandigheden van de inwoners, de smerigheid in het stadsdeel, de wetteloosheid die er heerste — de regeringen konden niet voor eeuwig hun ogen gesloten houden. In 1987 werd bekend gemaakt dat Kowloon Walled City gesloopt zou worden. In de daaropvolgende jaren werd de bevolking gerehabiliteerd, en in maart 1993 begonnen de sloopwerkzaamheden. Een jaar later waren alle flats met de grond gelijk gemaakt.

Op de plek waar tienduizenden mensen opeengepakt leefden in krappe, donkere woningen zonder fatsoenlijke sanitaire voorzieningen, waar zonlicht noch overheid in de smalle steegjes kon doordringen, waar criminaliteit en prostitutie welig tierden, is een park aangelegd. Een park met grasvelden en vijvers, met allerlei soorten planten, met metersgrote schaakborden en met paviljoens om te eten, te drinken, en bruiloften te vieren. Groter kan het contrast niet zijn.

Links: steegje in Kowloon Walled City. Rechts: een klein stukje hemel is te zien vanaf de grond.

Onderstaande documentaire uit 1989 geeft een rondleiding door Kowloon Walled City. Zeer indrukwekkend!