Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen

dinsdag 19 februari 2019

De erfenis van Zola en Sartre

De eerste periode van dit schooljaar mocht ik mijn 6vwo-klas meenemen door de Franse literatuurgeschiedenis. Een lessenserie die hun leven zou veranderen en betere mensen van ze zou maken, zo beloofde ik. Niets was minder waar! Althans, zelf merkte ik dat ik weer met helderdere kaders naar de wereld kon kijken dankzij het opnieuw bestuderen van stromingen en denkbeelden en dankzij het herlezen van gedichten, proza en andere literaire reacties op wereldlijke gebeurtenissen. En of je er nu echt een beter mens van wordt of niet, kennis van (literatuur)geschiedenis helpt ontegenzeggelijk een duidelijker begrip van de wereld van nu — en van onszelf — te krijgen. Gevoelens, twijfels, en levensvragen uit eeuwenoude teksten kunnen we moeiteloos op de huidige wereld en op ons eigen leven projecteren — wat maar weer aantoont dat de mens in al die eeuwen wezenlijk geen spat veranderd is. Precies deze inzichten maken literatuurgeschiedenis tot zo’n mooi en belangrijk onderwerp om op school te behandelen.

Twee — tegengestelde — stromingen kwam ik die periode meerdere malen tegen wanneer ik de krant las: het naturalisme en het existentialisme. Deze stromingen waren niet tegelijkertijd in zwang: eerst maakte het naturalisme furore als “versterkte” tak van het realisme, aan het eind van de 19e eeuw. Pas halverwege de 20e eeuw stak het existentialisme de kop op, aan de hand van grootmeester Jean-Paul Sartre.

Het naturalisme ging, grof gezegd, uit van externe factoren die het lot van ieder mens bepalen: moment, milieu, en race. Oftewel: het moment waarop je geboren bent in de tijd (was er voorspoed? oorlog?), de omgeving waarin je opgroeit (rijke familie? arme familie?), en je genetische belasting (neigen tot alcoholisme? zenuwziektes?) bepalen je levensloop (her en der aangevuld met eigen lusten en driften). Je kunt proberen om te ontworstelen aan je lotsbestemming, maar uiteindelijk is met je geboorte al min of meer bepaald hoe je zult eindigen. Emile Zola was de zelfbenoemde voorman van het naturalisme, met als belangrijkste wapenfeit de romancyclus Les Rougon-Macquart. Hierin beschrijft hij de levens van twee takken van dezelfde familie, waarbij de Rougon-afstammelingen bij geboorte een veel betere set kaarten in de hand hebben dan de telgen van de Macquart-kant. De Macquart-kinderen vertonen dan ook allerlei vormen van degeneratie: de één wordt crimineel, de ander prostituee, weer een ander kampt zoals zijn vader met alcoholisme. Hoewel Zola al met al een vrij somber en onvrij beeld schetst van de mens, kweken zijn boeken tegelijkertijd ook een zeker begrip voor de onderkant van de samenleving.

Het existentialisme daarentegen benadrukt de vrijheid van de mens om zijn/haar leven in te richten: iedereen kan in vrijheid keuzes maken — móet in vrijheid keuzes maken, en daar de verantwoordelijkheid voor nemen. Zo zijn het dus niet externe factoren, maar eigen beslissingen die bepalen wie je bent en waar je terecht komt. De stroming viel in vruchtbare bodem. We spreken de jaren ’50 van de 20e eeuw; de Tweede Wereldoorlog was zojuist ten einde, in Algerije woedde nog een bloedige onafhankelijkheidsstrijd, en ook op andere plaatsen brandde de aarde. Het geloof in de Voorzienigheid of in het goede van een Almachtige was ver te zoeken. Met name jongeren waren zeer vatbaar voor het idee, dat hun identiteit en hun lot nog niet vast lagen. Jean-Paul Sartre bood het verhaal waar ze behoefte aan hadden. In zijn werken staan de hoofdpersonen voor lastige keuzes, waarbij met name in zijn latere werk de nadruk ligt op de relatie tussen het individu en de wereld. Want zeker, iedereen is vrij om zijn eigen keuzes te maken — maar tegelijkertijd zijn we niet alleen op de wereld, en hebben we een verantwoordelijkheid naar elkaar toe.

Toen ik weer midden in deze theorieën zat, las ik in de krant een aantal artikelen waar ik deze kaders moeiteloos op kon leggen. Bijvoorbeeld onderstaande recensie van de film Light as feathers, waarin mijn 6vwo’ers moeiteloos de erfenis van Zola herkenden.

Een tijdje later las ik een ander artikel waarbij de hierboven geschreven denkbeelden even worden aangestipt. En het mooiste hiervan: de geciteerde man in kwestie was een ex-gedetineerde uit de Verenigde Staten. Zou hij weten welke literaire grootheden hij tussen neus en lippen door aanhaalt?

dinsdag 11 juli 2017

Swimming with the crocodiles

We waren op de terugweg van een verjaardag in Nijmegen toen mijn vriendin vroeg of ik nog wat muziek wilde horen. “Swimming with the crocodiles” zei ik, want dat nummer had ik al een paar kilometer in mijn hoofd. Ze opende Spotify en we luisterden naar het nummer van The Veils. Ik zong de tekst wat mee en we spraken over de betekenis van het nummer. Ik vertelde haar wat ik voor me zag bij dit nummer, we filosofeerden wat over de betekenis van de tekst, en ik besloot om thuis de tekst wat dieper in te duiken. Dat heb ik nu gedaan

Google geeft weinig resultaten voor “swimming with the crocodiles song meaning”, hoewel één album review er een korte notitie over maakt en één blog het nummer ooit heeft uitgeroepen tot “Song of the day” — zonder diep op de songtekst in te gaan overigens. Eigenlijk was ik opgelucht met zo weinig zoekresultaten, want dat betekent dat ik lekker mijn eigen interpretatie de vrije loop kan laten.

Goed, het nummer. Het nummer begint ingetogen met een gitaar/elektrische piano/bas en een strakke drum. Dan begint Finn Andrews te zingen.


Take the bandage off his eyes
Take the bandage off and then go down
Swimming with the crocodiles
Spinning round and round and round
Only I know I’m better off this way
The water’s still the safest place to stay

Wat het eerst opvalt is de perspectiefwisseling. De eerste regel vertelt over “his eyes”, de laatste twee zijn in de ik-vorm geschreven. Alsof de ik-persoon eerst zichzelf van buitenaf beschouwt om daarna het perspectief naar zich toe te trekken.

Interessant is dat bij die laatste twee zinnen (nu dus vanuit de ik-persoon) de melodie van de pedal steel (een soort liggende gitaar waarmee elektronische, slepende tonen kunnen worden gemaakt) voor het eerst de melodie van de tekst volgt. Muziek en zang worden hier één, waarmee de eenkennigheid en eenzaamheid van de “I” wordt benadrukt. Hij weet dat hij het beste af is daar bij de krokodillenpoel, er is geen tegengeluid.

Ook opvallend is de 4e regel in combinatie met de 6e: “Spinning round and round and round” horen we eerst, en in de 6e regel wordt het water aangeduid als de veiligste plek om te zijn. Voor mij roept dit het beeld op van iemand die zich volledig overgeeft aan het water, die meegesleurd wíl worden in de draaikolk, zonder dat hij bang is of in paniek raakt. Integendeel: hij laat het water graag zijn richting bepalen.

They’re sinking in their teeth tonight
I can feel them move beneath me with no sound
Swimming with the crocodiles
Spinning round and round and round
Only I know I’m better off this way
The water’s still the safest place to stay

In het tweede couplet voel je de stille aanwezigheid van de krokodillen, en wordt als een mantra nog eens de overgave aan de draaikolk opgeroepen.

Dan wordt de muziek voller, liefdevoller ook, en we krijgen een inkijk in de diepere gevoelswereld van de ik-persoon:

You’re all I’ve ever wanted
There’s no remedy (live: And you’re no remedy)
I feel you when there’s no one else around
Hold me like a child, you swollen crocodile
Hold me under till I drown
Then pull me down, baby.

Duidelijk is dat de ik-persoon pijn heeft. Opvallend is dat op de albumversie “There’s no remedy” wordt gezongen en in de liveversie “And you’re no remedy”. Op de albumversie is de “you” het probleem an sich, terwijl in de liveversie de ik-persoon met nog iets ergers kampt — iets waar zelfs de “you” niet bij kan helpen. Hoe het ook zij, de ik-persoon heeft duidelijk groot zeer.

Hij wil verdwijnen in de poel met krokodillen. Hoewel ik eerst dacht dat de ik-persoon daarmee wil sterven, ben ik later van opvatting veranderd. Want staan de krokodillen in de bezongen poel wel voor de vijand? Ik denk het niet. Ik denk dat in dit nummer de krokodillen voor de duistere kant van de ik-persoon staan. Vertaald naar Jungeriaans archetype zou het om de schaduw van de verteller gaan, het deel van de persoonlijkheid waar primitieve, dierlijke instincten huizen maar waar ook creativiteit en inspiratie uit voortkomt (bedenk hoeveel kunstenaars een duidelijke duistere kant hebben!). De samenhang tussen primitieve schepsels (de krokodillen) en primitieve instincten is gemakkelijk te zien.

De ik-persoon vraagt ze om hem als een kind vast te houden, wil dat ze hem meetrekken naar hun wereld, onder water. Dit kan symbool staan voor een (tijdelijk) vluchten naar een schimmig gebied, zij het in herinneringen, drugs wellicht, in de nacht.

Overigens hoorde ik heel vaak “Hold me a little I drown” in plaats van “Hold me under till I drown”. Zou dit bewust zo vaag zijn gezongen? “Hold me a little I drown” suggereert dat de ik-persoon de krokodillen als zijn reddingsboei ziet: in het echte leven gaat hij ten onder aan de pijn, en zijn duistere kant, met de krokodillen als verpersoonlijking daarvan, is zijn redding.

Wat ik alleen niet begrijp, is waarom het om een “swollen crocodile” gaat. Waarom dat “swollen”? Bedoelt Andrews dat de schaduw is gegroeid, gevoed door miskenningen en tekortkomingen? Wie het weet, mag het graag zeggen.

Tell me what you came for
Tell me what you can and what you can’t
Cause honey I might need a while —
Honey I might need a while longer
Only I know I’m better off this way
The water’s still the safest place to stay

Dit couplet lijkt goed aan te sluiten bij de liveversie die ik hierboven aanhaalde, waarbij Andrews niet “there’s no remedy” zingt maar “you’re no remedy”. De moeilijkheden waar de ik-persoon mee moet afrekenen, zijn te groot. Hij kan niet in zee gaan met zijn geliefde, hoewel hij dat het liefst zou willen (immers: “you’re all I’ve ever wanted”). Hij heeft tijd nodig, tijd in die poel waar hij in contact kan komen met zijn duistere kant.

You’re all I’ve ever wanted
There’s no remedy (live: And you’re no remedy)
I feel you when there’s no one else around
Hold me like a child, you swollen crocodile
Hold me under till I drown
Then pull me down, baby.


Kortom, een melancholisch nummer waarin de ik-persoon berust in zijn situatie en met zijn volle verstand kiest voor een vertrek naar de duistere kant. Niet per se een nummer dat je onderweg van een verjaardag en in goede stemming luistert, zou je denken. Maar Swimming with the crocodiles is simpelweg een prachtig nummer, één waarin The Veils (alwéér!) hun unieke talent tonen om gitzwarte teksten om te zetten in wonderschone muziek.


The Veils, “Swimming with the crocodiles”

vrijdag 31 juli 2015

Over verkrachte lesbische vrouwen die berinnen worden

Ik heb nu toch een leuke literaire ontdekking gedaan! Bij toeval, toen ik een half uurtje geleden De Volkskrant las. Waar een krant lezen al niet goed voor is. Of de interpretatie die ik hieronder prijs zal geven ook echt hout snijdt laat ik in het midden, maar wie het met me oneens is zal toch tenminste toegeven dat het een leuk toeval is, al helemaal gezien de Amsterdam Gay Pride van aankomend weekend.

Susie de Beer

Onlangs las ik Hotel New Hampshire, van John Irving, waarin de schrijver een parade aan maffe figuren opvoert, of tenminste figuren met maffe trekjes. In Irvings boeken krioelt het eigenlijk altijd van de buitenissige personages en vreemde gebeurtenissen. Niettemin lezen de verhalen zó vanzelfsprekend en natuurlijk, dat je als lezer helemaal meegaat in de vertelwereld zonder aan de realiteitswaarde te twijfelen. Het idee dat de personages toch wel érg zonderling waren en/of exotisch gedrag vertoonden komt (althans bij mij) pas achteraf, eenmaal terug in de saaie, ordinaire realiteit.

Zo ook Hotel New Hampshire. Ik ging helemaal op in de wereld van de familie Berry, de ouders en de vijf kinderen: John, de verteller, zijn broer Frank die homo is en later de overleden hond van de familie opzet (waar Iowa Bob, zijn opa, zich dan weer letterlijk van doodschrikt), zijn zus Franny, een mooi en sterk meisje waar John het hele boek lang verliefd op is, zijn zusje Lilly met dwerggroei, en zijn broertje Ei die van verkleden houdt en min of meer doof is. Naast de excentrieke familie passeren er nog veel meer personages de revue, waaronder Freud, een Oostenrijkse Jood die vader Win en moeder Mary ontmoeten tijdens hun vakantiebaantje in een hotel in Maine: Freud treedt daar op met zijn afgerichte beer (genaamd De Staat Maine). Freud is degene die de familie Berry later in het boek naar Wenen laat komen, om hem te helpen zijn hotel daar te runnen.

Dat hotel wordt, zo blijkt, bevolkt door hoeren en communisten. We maken kennis met een handvol nieuwe interessante en vermakelijke personages. Maar er is één persoon in het hotel die de show steelt, en dat is Susie de Beer, de linkerhand van de inmiddels blinde Freud. Zij helpt hem het hotel te bestieren en beschermt de hoeren waar nodig tegen vervelende klanten. Susie is een lesbische vrouw die zich na een verkrachting fijner voelde als beer. Daarom loopt ze in een berenpak rond en doet ze zich als een beer voor. Naarmate het boek vordert trekt ze steeds vaker haar pak uit en durft ze steeds beter weer als Susie het Mens te leven.

Callisto de berin

Beren vormen net als hoeren, transseksuelen, Wenen, en worstelen een vaak terugkerend thema in de boeken van John Irving. Hoewel de schrijver zelf heeft gezegd dat de beren geen metaforische waarde hebben, is het altijd leuk om als lezer een eigen interpretatie van de tekst te geven, en al dan niet bedoelde parallellen te vinden met andere literatuur, kunst, historische gebeurtenissen, etc. Vandaag vond ik dankzij De Volkskrant zo’n (hoogstwaarschijnlijk onbedoelde) parallel die te mooi was om te laten liggen.

In De Volkskrant las ik over een zogeheten “schoorsteenstuk” (feitelijk een soort schilderij) van Jacob de Wit. Op dit tafereel zien we hoe Jupiter, verkleed als de godin Diane (travestie!) de nimf Callisto verleidt (vrouwenliefde!) en vervolgens verkracht. Tot zover niets nieuws onder de zon. Aangezien ik de mythe niet helemaal kende, heb ik hem opgezocht. En nu komt het mooie: nadat Juno, de vrouw van Jupiter, achter dit overspel kwam, heeft ze wraak genomen door Callisto te veranderen… in een berin! (Ov. Metamorph., II. 409-488)

Overigens dreigt zo’n zestien jaar later Callisto’s onwettige zoon Arcas zijn berinnenmoeder tijdens een jachtpartij neer te schieten. Gelukkig grijpt Jupiter net op tijd in, en laat hij zowel Callisto als Arcas voortaan aan de hemel schitteren… Als de Grote en de Kleine Beer. (Ov. Metamorph., II. 490-507)

De twee metamorfosen

Verschillen in de versies daargelaten zijn de parallellen tussen Irvings Susie en Ovidius’ Callisto duidelijk en overheersend: een lesbische vrouw verandert, na een verkrachting door een man, in een berin.

Wat mij betreft is de waarde van literatuur andermaal bevestigd: het helpt ons te begrijpen dat waar beschavingen en werelden veranderen, de mens hetzelfde blijft. Zo helpt het ons de mens te doorgronden. Van de klassieke oudheid tot de moderne tijd: verkrachte lesbische vrouwen veranderen in berinnen. Dat was zo, dat is zo, en dat zal zo blijven.

(En nu hoop ik dat de vorige twee zinnen net zo natuurlijk lezen als de verhalen van Irving — en dat je pas over een half uur of een uur, wanneer je nog eens terugdenkt aan dit stuk, je beseft dat het toch misschien wel wat merkwaardig is allemaal...)


Jupiter, vermomd als Diana, verleidt de nimf Callisto. Door Jacob de Wit (1727).


Natassja Kinnski als Susie de Beer in de gelijknamige verfilming van Hotel New Hampshire (1984).

zaterdag 21 februari 2015

La complainte de la butte

Omdat dit jaar Moulin Rouge als schoolmusical zal worden opgevoerd, hadden twee leerlingen me gevraagd in de les een keer een liedje uit dit stuk te behandelen. Om die reden heb ik me vorige week gebogen over het nummer “La complainte de la butte”. Dit nummer was oorspronkelijk geschreven voor French Cancan (1954), door de regisseur van deze film, Jean Renoir. Voor de film Moulin Rouge! (2001) heeft de in Montréal opgegroeide zanger Rufus Wainwright het nummer heropgenomen. De gevoelige pianomuziek, de scherpe, klagende stem van Wainwright en met name de sublieme tekst maken het tot een prachtig nummer. Hieronder een korte inleiding, daaronder de tekst met tussendoor mijn commentaar.


Het is een kalme, heldere nacht, het maanlicht glanst op de natgeregende straten van Parijs. We bevinden ons in het noorden van de stad, in de wijk Montmartre, aan de voet van de gelijknamige heuvel. De indrukwekkende Sacré Coeur staat op de top van La butte (“de heuvel”), verder is de kunstenaarswijk bekend om haar keur aan louche nachtclubs. De ik-persoon wandelt met zijn ziel onder zijn arm door de vrijwel verlaten straten. Zijn hart is gebroken, en het leven weegt hem zwaar. Maar dan komt hij haar tegen. Zij is een armoedig scharminkel met een jurk vol gaten, een meisje nog. De ik-persoon echter is op slag verliefd en ziet niets dan schoonheid in haar.

La lune trop blême // pose un diadème // sur tes cheveux roux
La lune trop rousse // de gloire éclabousse // ton jupon plein d’trous
La lune trop pâle // caresse l’opale // de tes yeux blasés
Princesse de la rue // soit la bienvenue // dans mon cœur brisé

In de eerste drie zinnen vormt de maan (la lune) het onderwerp. De ik-persoon treedt niet als handelende persoon op, waardoor de afstand tussen hem en het meisje voelbaar is. De maan speelt hier de hoofdrol, het meisje is de aanbeden persoon, en de ik-persoon is slechts toeschouwer. Hij richt zich wel tot haar, hij heeft het immers over “je rode haren”, “je jurk vol met gaten”, en “je vermoeide ogen”, maar hij heeft nog lang geen contact.

De maan kan ondertussen niet anders dan de schoonheid van het meisje belichten. Door de lichtval lijkt het of ze een diadeem op haar rode haar draagt, de roodachtige gloed schijnt prachtig op haar versleten jurk, en hoewel de vermoeidheid uit haar ogen spreekt, schitteren ze dankzij het licht van de maan als opaal — overigens een edelsteen die al sinds de oudheid gebruikt wordt als medicijn tegen melancholie, precies waar de ik-persoon onder lijdt.

Dan, in de laatste zin van het eerste couplet, richt de zanger zich wél direct tot het meisje. “Prinses van de straat, wees welkom in mijn gebroken hart”, zo verwelkomt hij haar. Waarbij Princesse de la rue een mooie variatie vormt op femme de la rue, andere benaming voor een prostituee. In deze laatste zin zingt hij voor het eerst ook over zichzelf: hij stelt zijn gebroken hart open.

Les escaliers de la butte sont durs aux miséreux
Les ailes du Moulin protègent les amoureux          [refrain]

In het refrein worden de steile trappen naar de top van Montmartre bezongen. De armzaligen valt de klim zwaar. Geliefden echter vinden onder de wieken van de Moulin Rouge, aan de voet van de heuvel, bescherming en kracht.

Ma petite mandigotte, // je sens ta menotte // qui cherche ma main
Je sens ta poitrine // et ta taille fine ; // j’oublie mon chagrin
Je sens sur tes lèvres // une odeur de fièvre // de gosse mal nourri
Et sous ta caresse // je sens une ivresse // qui m’anéantit

In het tweede couplet is het contact gelegd. Dit contact wordt steeds intenser. In de eerste regel houden ze elkaars handen vast, in de tweede regel voelt de ik-persoon het lichaam van het meisje, in de derde regel kust hij haar, en in de vierde regel bezingt hij het gevoel dat haar omhelzing bij hem teweegbrengt.

Uit de woorden van de eerste drie regels blijkt dat we echt nog met een jong meisje te maken hebben: we horen “petite mandigotte”, (klein bedelaartje), “menotte” (handje), “taille fine” (dunne taille), en “gosse” (kind). In elke regel zingt de ik-persoon “je sens” (ik voel), elke keer volgt een beschrijving wat hij fysiek aanraakt. Net als in het eerste couplet is de vierde regel van een andere categorie. Weer horen we “je sens”, maar nu gaat het niet om wat de ik-persoon van het meisje voelt, maar wat hij intern beleeft onder haar omhelzing: “een roes die me sloopt”, aldus de gebroken man die weer liefde voelt.

[refrain]

Et voilà qu’elle trotte // La lune qui flotte // La princesse aussi
La la la la la, la la la la la
Mes rêves épanouis

[refrain]

In het laatste couplet verdwijnt het meisje weer in de Parijse nacht. Ze wordt zelfs niet meer (in)direct aangesproken, de zanger kan slechts registreren hoe de prinses van de straat wegtrippelt, wegzweeft, net als de maan al doet. Is alle licht dan gedoofd? Nee, want na een kort moment waarin we de maan en het meisje de gelegenheid geven volledig van het toneel te verdwijnen (La la la la …), blijft de zanger over met zijn rêves épanouis, oftewel zijn “ontluikende (stralende) dromen”.


De tekst van dit nummer is zowel qua klank als qua betekenis op uiterst vakkundige wijze geconstrueerd. Ten eerste bevatten de zinnen een prachtige ritmiek, waarbij de zinnen zowel onderling als intern (binnenrijm) heel natuurlijk en feilloos rijmen. Ten tweede wordt met feitelijk slechts een paar zinnen een gebeurtenis zó beschreven, dat het lijkt of je zelf ook in Montmartre bent, toeschouwer bij deze ontmoeting. Een deel van wat ik voor me zie is zeker eigen invulling (bijvoorbeeld de natgeregende straten), maar ik heb niet vaak dat een nummer zó haarscherp een beeld bij me oproept. De opbouw van betekenis in de coupletten voert je langs een ontmoeting die even vluchtig als hartverwarmend is. Hoe het de ik-persoon en het naamloze meisje na hun treffen is vergaan zullen we nooit weten. Gelukkig kunnen we dit korte ogenblik van bitterzoete vreugde tot in de eeuwigheid blijven herhalen.


maandag 9 juni 2014

Heavenfaced

Wat is dat toch met Trouble Will Find Me, het laatste album van The National? Vorige maand schreef ik al over “I Should Live in Salt”, deze maand wil ik graag aftrappen met mijn interpretatie van “Heavenfaced”, het zesde nummer van de plaat.

Want hoe vaker ik dit nummer luisterde, hoe duidelijker ik een beeld voor ogen had. Een beeld dat de meesten waarschijnlijk wel zullen kennen: het komt uit de slotscène van Gladiator (2000), waarin de stervende gladiator Maximus (Russel Crowe) in zijn hoofd teruggaat naar de velden waar zijn huis staat en waar zijn vrouw en zoontje op hem wachten. Hij laat zijn hand over de aren glijden, geniet van de wind in zijn haar, van de rust die heerst, en ziet hoe zijn zoontje op hem af rent. Dan wordt het scherm zwart.

“Heavenfaced” interpreteer ik als een nummer waarin een stervende man, in het voorportaal van de hemel, in zijn hoofd nog één keer bij zijn geliefde is. Zoals Maximus in Gladiator. Minpunt in deze vergelijking is dat Maximus’ vrouw en kind zelf al gestorven zijn (waardoor Maximus als het ware “thuiskomt”), waar dat bij de ikfiguur in “Heavenfaced” volgens mij niet het geval is (en de ikfiguur dus juist weggaat). Maar hoewel de beweging omgekeerd is, zijn tussen de twee momenten zelf veel parallellen te zien. Hieronder de tekst met tussendoor mijn commentaar.


I could walk out, but I won’t
In my mind I am in your arms
I wish someone would take my place
Can’t face heaven all heavenfaced
No one’s careful all the time
If you lose me, I’m gonna die

Het eerste couplet geeft direct de situatie weer: de stervende ikfiguur is in zijn hoofd bij zijn geliefde, voor de laatste keer. Een gelukzalig moment dat hij zo lang mogelijk vasthoudt, want zodra dit moment voorbij is, sterft hij en laat hij haar definitief achter op de aarde. Na de laatste zin komt een kleine muzikale bridge, om de woorden goed te laten doordringen — en misschien om de ikfiguur de gelegenheid te geven een moment in stilte te genieten?

How completely high was I
I was off by a thousand miles
Hit the ceiling, then you fall
Things are tougher than we are
I could walk out, but I won’t
In my mind I am in your arms
I wish someone would take my place
Can’t face heaven all heavenfaced

In het tweede couplet blikt de ikfiguur terug op de tijd vlak voor zijn sterven. Het wordt duidelijk dat hij op het hoogtepunt van zijn geluk was, en misschien wel omkwam juist omdat hij (teveel) met zijn hoofd in de wolken liep. Na deze terugblik verschuift de focus weer naar het heden: het begin van het eerste couplet wordt herhaald.

Let’s go wait out in the fields with the ones we love
Let’s go wait out in the fields with the ones we love
Let’s go wait out in the fields with the ones we love
Let’s go wait out in the fields with the ones we love

Vooral door dit intermezzo, waarin tot vier keer toe “Let’s go wait out in the fields with the ones we love” wordt geopperd moest ik aan Gladiator denken. Het heerlijke moment in het voorportaal van de hemel: voor de ikfiguur duurt het te kort. Hij zou het liefst al veel eerder met zijn geliefden de velden in gaan om in die setting de dood af te wachten.

She’s a griever, not a believer
It’s not a fever, it’s a freezer
I believe her, I’m a griever now
She’s a griever, not a believer
It’s not a fever, it’s a freezer
I believe her, I’m a griever now

Na het rustig gezongen intermezzo komt er wat tempo in de vocalen. Dankzij de rijmende woorden die elkaar snel opvolgen gaat het ritme omhoog. Wat mij betreft is dit niet het meest duidelijke deel van de tekst, maar ik vermoed dat de ikfiguur hier echt sterft. Het besef dat hun leven samen over is, slaat eerst bij zijn geliefde in en daarna bij hemzelf. Het is geen ziekte of blessure die overgaat (“It’s not a fever”), het is definitief gedaan (“it’s a freezer”). Het lome, gelukzalige moment is voorbij, en gelijk met het snellere ritme van de vocalen komt ook de rit naar de hemel in een stroomversnelling.

Because we’ll all arrive in heaven alive
We’ll all arrive
Because we’ll all arrive in heaven alive
We’ll all arrive

De hoofdgedachte van het nummer wordt samengevat in het laatste couplet: je sterft zoals je op het moment van sterven leeft. Sterven op het hoogtepunt van je geluk is sterven met een glimlach om je lippen (“heavenfaced”), maar tegelijkertijd neem je ook het verdriet van het besef een geliefde achter te laten op aarde mee naar de hemel.


Het leuke aan literatuur, en daarmee ook aan songteksten, is dat er niet per definitie één waarheid is. Eén tekst kan op zóveel verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Op www.songmeanings.com worden weer andere, nieuwe inzichten gegeven in de tekst van “Heavenfaced”. Hoewel ik de ene uitleg sterker vind dan de andere, is het in alle gevallen leuk om te lezen hoe anderen dit nummer beleven. Hierboven heb ik mijn interpretatie uitgewerkt, zonder te willen claimen dat dit de juiste is. Mocht iemand de tekst of delen ervan heel anders opvatten: laat vooral van je horen, ik ben benieuwd!


Gladiator (2000)


The National, “Heavenfaced”

maandag 19 mei 2014

Dans la maison

Afgelopen zondag heb ik Dans la maison gekeken. Een film die ondanks beperkte actie en beperkte ruimtes van begin tot eind boeit, dankzij een zeer intrigerend plot. Een film waarin door de samensmelting van (vertel)realiteit en fictie alles mogelijk is, en niet in positieve zin.

Dans la maison gaat over Germain, leraar Frans, en zijn leerling Claude. Laatstgenoemde beschrijft in een opstel hoe hij in het huis van klasgenoot Rapha binnen is gekomen, iets wat hij al lang wilde — de reden waarom Claude zo gebiologeerd is door het huis en zijn bewoners krijgen we niet te weten. Het opstel is goed geschreven en prikkelt Germain. Hij moedigt Claude aan door te gaan met schrijven. Claude geeft hier graag gehoor aan, en dringt steeds dieper door in de familie van Rapha, die behalve zoonlief uit vader Rapha sr. en moeder Esther bestaat. Al gauw echter begint realiteit en fictie in zijn opstellen door elkaar te lopen, deels door de aanwijzingen van Germain (“Rapha jr. is een vlak personage zonder enig conflict! Geef hem toch meer diepgang!”), en deels door de verborgen verlangens van Claude zelf die zich steeds prominenter uiten in gefantaseerde stukken in zijn opstel.

Maar welke gebeurtenissen zijn licht aangepast of aangedikt om aan de tips van Germain gehoor te geven, wat is pure fantasie en wat gebeurt er nu echt in het huis? Hoe verder de film vordert, hoe minder je als kijker weet wat je kunt vertrouwen. Eerst heb je nog het houvast dat pas wanneer Germain of zijn vrouw de verhalen van papier leest, de verhaallijn rond Claude en de familie Rapha wordt ontvouwen. Later is hier helemaal geen papier meer voor nodig, en fictie en realiteit raken al helemaal verwikkeld wanneer Germain óók in het huis van de Rapha’s opduikt en directe aanwijzingen geeft over het verloop van het verhaal dat zich recht voor hem afspeelt.

Het inkaderen van een verhaal in een verhaal (mise en abyme) is natuurlijk een beproefd concept. Eén van mijn favoriete auteurs, Paul Auster, is hier een meester in: in zijn boeken is soms direct duidelijk dat we met een raamvertelling te maken hebben (ik denk aan Man in the dark), soms is dit subtieler. Het beste voorbeeld hiervan is het briljante Invisible, waarin de secundaire verteller overigens ook onbetrouwbaar blijkt. Deze grijpt echter niet rechtstreeks in in de tweede laag, hij presenteert de gebeurtenissen alleen overgoten met een sausje van fantasie en een iets teveel aan eigen interpretatie. Een voorbeeld van een boek waarbij iemand uit de eerste laag wél rechtstreeks ingrijpt in de gebeurtenissen die zich een vertellaag lager afspelen, is Het oneindige verhaal van Michael Ende. In dit boek is het Bastiaan zelf die uiteindelijk het rijk Fantasia redt, waarover hij in een boek leest.

In Het oneindige verhaal zorgt het ingrijpen in de lagere vertellaag niet voor een gespannen sfeer. Integendeel, de versmelting van vertelwerkelijkheid en fantasie zorgt er juist voor dat Bastiaan allerlei buitengewone avonturen in Fantasia beleeft.

De sfeer in Dans la maison daarentegen wordt spannender en spannender. Hoewel Claude al meteen wordt neergezet als een wat vreemd joch (hoe hij in het huis van zijn ‘vriend’ Rapha diens ouders bespioneert, hoe berekenend hij de vriendschap met Rapha opbouwt, de wat neerkijkende toon waarmee hij mensen beschrijft), wordt hij hoe langer hoe enger. Niet alleen worden zijn verhalen steeds onbetrouwbaarder, ook lijkt hij steeds uitgekookter en killer te werk te gaan. En vooral: hij schrijft alles op, dus hij maakt het verhaal. Door het vervagen van de grens tussen eerste- en tweede verhaallijn lijkt Claude als een poppenspeler te beschikken over de lotgevallen van Rapha en zijn familie. Tot het een zaak van leven en dood lijkt — of is?

Het zwakke punt van de film is wat mij betreft het wat softe einde. Enerzijds was ik opgelucht na de ontknoping, anderzijds is het zonde dat de opgebouwde spanning en de opgestapelde vragen niet in een verwoestende climax resulteren. Geen vuurwerk in de finale dus, maar een sereen eindshot dat wat mij betreft de rest van de film wat afzwakt. Wat het overigens wel weer tot een prima film voor op de zondagavond maakt.


zaterdag 10 mei 2014

Zout

Eén van de mooiste zinnen uit de muziekgeschiedenis komt wat mij betreft voor rekening van The National. Ik heb het openingsnummer van hun laatste album Trouble Will Find Me nu al een half uur op repeat staan, en elke keer weer voel ik een brok in mijn keel opkomen als zanger Matt Berninger de woorden uit de titel zingt: ‘I should live in salt for leaving you behind’.

Hoewel ik het hele nummer enorm mooi vind — van de muziek tot de vocalen tot de tekst in zijn geheel — springt deze zin er voor mij echt uit. Hij roept een in-en-in tragisch beeld op, van iemand die verscheurd door verdriet en schuldgevoel op een plek leeft waar niets kán leven. Op een zoutvlakte, waar de zon genadeloos brandt en waar het water dat te vinden is de dorst alleen maar erger maakt. Waar zoutkristallen in open wonden en in alle slijmvliezen prikken, en waar de boetedoener uiteindelijk in het gekristalliseerde zout van zijn eigen tranen zal zitten. Zijn tijd uit zal zitten.

Op internet wordt de vergelijking met het oudtestamentische verhaal van de vernietiging van Sodom en Gomorra veelvuldig gemaakt. In dit verhaal (Gen. 18—19) worden de zondige steden vernietigd met zwavel en vuur. De gewaarschuwde Lot weet met zijn gezin te ontkomen, maar zijn vrouw kijkt tegen de instructies van God in achterom en verandert terstond in een zoutpilaar.

Zelf vind ik die vergelijking niet helemaal opgaan. Zeker, de vrouw van Lot keek ook terug op wat ze niet heeft kunnen redden, net als de ikfiguur uit het nummer. Maar waar zij direct in een zoutpilaar verandert en niet verder leeft, zingt Berninger over het verder leven in zout. En dat is ook het tragische wat uit ‘I should live in salt for leaving you behind’ spreekt: het boete doen, het langdurige lijden omdat je iemand hebt achtergelaten waar je bij had moeten blijven. Het dubbele verdriet: de pijn die niet alleen bestaat uit het verder leven an sich zonder degene die je achterliet, maar ook uit het stekende schuldgevoel dat jij de foute keuze gemaakt hebt alleen verder te gaan.

De rest van het nummer lijkt te wijzen op een (ex)geliefde die achter is gelaten (hoewel betwistbaar), maar ik wil het graag alleen over die ene zin ‘I should live in salt for leaving you behind’ hebben. Want wanneer ik die zin hoor vergeet ik de rest van het nummer, en zie ik het eerder geschetste beeld voor me van een gebroken persoon op een kale zoutvlakte. De gedachten van die persoon gaan in mijn beleving niet per se uit naar een (ex)geliefde, maar kunnen evengoed uitgaan naar een vriend, vriendin, broer, zus, of een ander familielid. Iemand van wie de ikfiguur houdt en had moeten helpen, bij had moeten blijven. Maar de ikfiguur liet de ander aan zijn of haar lot over, met alle gevolgen van dien. En nu is de ikfiguur die verliet zelf de verlatene, alleen met pijn en zout. Misschien verandert hij op den duur zelf in een zoutpilaar, je zou het haast hopen.

Overigens dacht ik bij het horen van ‘I should live in salt for leaving you behind’ aan een ander, meer recent literair werk. Wie Hhhh van Laurent Binet heeft gelezen herinnert zich wellicht het dorp Lidice dat niet herinnerd mocht worden; “Het bevel luidt Lidice letterlijk van de kaart te vegen. ... men strooit zout over de aarde om er zeker van te zijn dat er niets meer ontkiemt.” Bij het lezen van dit boek stroomde het zoutwater ongeremd uit mijn ogen; net als The National heeft Binet zeldzaam talent voor het oproepen van pijn juist door mooie teksten. Wellicht later meer hierover.


The National, “I Should Live in Salt”

zondag 30 maart 2014

“La douleur exquise”

Een paar dagen geleden stuitte ik op de facebookpagina Word porn, die ik met één druk op de knop van een duimpje extra voorzag. Word porn publiceert elke paar uur een mooie zin, een mooi woord, etc. Het leeuwendeel bestaat uit quasi-diepzinnige uitspraken, zoals het gisteren gepubliceerde “The strongest drug that exists for a human is another human being.”. (Let ook op de punt achter “being”, waardoor de tegeltjeswijsheid als voldongen feit gepresenteerd wordt: de sterkste drug die er voor een mens bestaat is een ander mens, punt uit.) Tamelijk walgelijk. Waar ik overigens mijn wenkbrauwen optrok en snel weer verder scrollde, hebben inmiddels al ruim 127.000 andere Word porn-fans deze uitspraak met een “like” beloond, en is hij al zo’n 26.300 keer gedeeld. En dat in één dag tijd.

Maar behalve weeïge oneliners biedt de pagina ook mooiere woorden aan. Quotes uit boeken of van schrijvers (Bukowski is favoriet), of woorden of begrippen uit een andere taal die een specifieke betekenis hebben. In de laatste categorie zag ik het Franse “La douleur exquise” voorbij komen, vertaald met “the heart-wrenching pain of wanting the affection of someone unattainable”. Een zwaar romantisch begrip, dat in het Frans een gedicht op zich is. Spreek het maar een paar keer hardop uit om te begrijpen wat ik bedoel. “La douleur” heeft lange, ronde klinkers; het woord is heerlijk zwaar uit te spreken. Ellende, langdurende ellende. De toevoeging “exquise” geeft het begrip een scherpe rand: na het korte, harde “ex” volgt de lange “ui” waarbij je gezicht in een gepijnigde grimas getrokken wordt. Als je het overdreven uitspreekt (het beste te doen in een afgesloten ruimte zonder gezelschap), hoor je de betekenis van het begrip al in de klanken die je vormt.

Het begrip wierp mij een aantal jaar terug in de tijd, toen ik nog Frans studeerde en de gedichten van schrijvers als François Villon, Charles Baudelaire, Joachim du Bellay (zijn naam vond ik mooier dan zijn gedichten), en Stéphane Mallarmé bestudeerde. Met name in de romantische literatuur is het Frans de taal bij uitstek om het gevoel van spleen (zwaarmoedigheid), of van ennui (existentiële verveling) uit te drukken — en ook hier: spreek het woord “ennui” een paar keer hardop uit, en het zal al gauw een verveelde klank krijgen.

In die tijd kwam ook de novelle Sylvie (1853) van Gérard de Nerval voorbij, en toen ik vanmorgen mijn aantekeningen over dit stuk herlas, was de link met “La douleur exquise” gemakkelijk gelegd. In Sylvie vertelt de ikfiguur over de drie vrouwen die hij heeft liefgehad of liefheeft. Het gaat om Sylvie, een meisje uit zijn geboortedorp, om Adrienne, een schoonheid die op een gegeven moment het klooster in gaat, en om Aurélie, een actrice in Parijs. Alle drie de vrouwen zijn onbereikbaar: Sylvie trouwt met een ander en krijgt daar twee kinderen mee, Adrienne zit in het klooster en sterft daar op een gegeven moment — iets waar de verteller pas jaren later achter komt —, en Aurélie gelooft niet dat hij echt van haar houdt (“Vous ne m’aimez pas, [...] vous cherchez un drame!”) en heeft bovendien een andere vriend.

In deze laatste scène gaat de verteller aan zijn eigen gevoelens twijfelen: “Ces enthousiasmes bizarres que j’avais ressentis si longtemps, ces rêves, ces pleurs, ces désespoirs et ces tendresses, ... ce n’était donc pas l’amour? Mais où donc est-il?” (“Dat bizarre enthousiasme dat ik zo lang voelde, die dromen, die tranen, die wanhoop en die warme gevoelens... dat was dus geen liefde? Maar waar is die dan?”). En hier zit de crux: de novelle draait niet om (het vinden van) de ware liefde, maar om het gemis ervan en de “douleur exquise” die dit teweegbrengt. De ikfiguur zal nooit zijn droomvrouw vinden, hij zal altijd blijven hunkeren. Aurélie verwoordt het heel treffend met het eerder aangehaalde “vous cherchez un drame!”; de verteller is continu op zoek naar een onbereikbare vrouw, maar zodra ze iets te dichtbij komt verplaatst De Nerval de focus naar een volgend ideaalbeeld. “La douleur exquise” wordt zodoende gekoesterd, gevoed, en vormt de rode draad in de novelle.

Van Facebook naar 19e eeuwse Franse roman, de stap blijkt kleiner dan ze op het eerste gezicht lijkt!

woensdag 11 december 2013

Ovidius, Metamorphosen en Ars amandi

Eén van de mooiste aspecten van de klassieke oudheid is wat mij betreft de literatuur. De mythen, epen, gedichten, en ander literair erfgoed vormen een blijvende bron van inspiratie, bieden steun bij twijfel, en zeggen soms precies die woorden waar ik naar op zoek was. Hoewel mijn hart meer bij de Griekse oudheid ligt dan bij de Romeinse, is er één dichter die de uitzondering vormt die elke regel nodig heeft: Ovidius.

Enkele jaren geleden las ik voor mijn studie de Metamorphosen, het meesterwerk van de Romeinse dichter. Een epos in luchtige vorm, met als hoofdthema ‘gedaantewisseling’. Ovidius behandelt in sneltreinvaart de gehele geschiedenis van de wereld, van het allereerste ontstaan tot aan zijn eigen tijd. Onderweg komen alle bekende en minder bekende mythen aan bod; in totaal worden er ruim 250 beschreven. In vrijwel elk verhaal komt een gedaantewisseling voor: goden die in mensen veranderen, mensen die in een plant of dier veranderen, de nimph Syrinx die in riet transformeert om aan de natuurgod Pan te ontsnappen die haar belaagt, de titaan Atlas die in het Noord-Afrikaanse Atlasgebergte verandert.

Hoewel het geheel al met al een luchtig en gemakkelijk te lezen epos vormt (de Metamorphosen wordt ook wel een “epyllium” genoemd, letterlijk vertaald “klein epos”), is zowel de inhoud als de schrijfstijl van zeer hoog niveau. Ovidius gebruikt bijvoorbeeld graag paradoxen, verwijst veelvuldig naar andere klassieke meesterwerken, geeft cryptische omschrijvingen van personen in plaats van ze simpelweg bij naam te noemen, en ga zo maar door. Dat de dichter ook op het gebied van stijl een absolute grootmacht was weet ik alleen uit commentaren; de metrische kundigheid en klankvondsten als alliteratie en rijm zijn door vertaling grotendeels weggevallen. Maar ook in vertaling blijven de verhalen mooi. Neem bijvoorbeeld het eerder genoemde verhaal over de gedaantewisseling van Atlas, waarin Perseus bij de titaan op bezoek komt:

Hij, Atlas, zoon van Japetus, had een reusachtig lichaam, groter dan wie dan ook. Zijn koninkrijk lag aan de rand der aarde, bij de Oceaan, daar waar de Zonnepaarden hijgend in zee verdwijnen met hun moegedraafde wagen. Hij liet daar op zijn velden duizend kuddes groot- en kleinvee rondgrazen; buren, die dicht bij hem woonden, had hij niet; de bomen droegen loof dat schitterde met gouden weerschijn en takken van puur goud, vol gouden ooft, beschaduwde.

Perseus sprak tot zijn gastheer: ‘Als de glans van hoge afkomst nog indruk op u maakt — ik ben de zoon van Jupiter, en als u houdt van heldendaden, kijk dan naar de mijne. Ik vraag gastvrijheid en een bed.’ Direct dacht Atlas aan een oud orakel, hem in Delphi ooit verstrekt door Thermis: ‘Atlas, het uur zal komen, dat je bos beroofd wordt van het goud. Een zoon van Jupiter zal trots zijn op de buit.’ Daarvoor bevreesd had Atlas dus zijn appelgaard voorzien van forse muren; een enorme draak moest die bewaken en iedereen van buitenaf werd uit het land geweerd. Ook tegen Perseus riep hij nu: ‘Weg hier! Of anders heb je heel weinig aan die zogenaamde heldenroem, zelfs niet aan Jupiter!’ Hij zet dit dreigen kracht bij door zijn vuisten te tonen, als de ander staan blijft en op kalme toon al even dreigend terugspreekt; minder sterk — wie kan zo sterk zijn als Atlas? — zegt hij: ‘Goed, u hebt mij liever niet te gast, neem dan dit gastgeschenk...’ en steekt van links het slangenzwarte Medusahoofd naar voren, zelf de ogen afgewend, en Atlas wordt in volle grootte in een berg veranderd! Zijn haar, zijn baard wordt bos; zijn schouders worden hellingen; zijn armen ook; wat hoofd was wordt de top van het gebergte; zijn botten worden rots. Daarna dijt hij oneindig hoog en ver naar alle kanten uit — zo wilden het de goden — en ’t hele zwerk met al zijn sterren rust sindsdien op hem. (Ov., Methamorph., IV. 631-662.)

Laatst pakte ik echter een ander werk van Ovidius uit de kast; de Ars amandi, vertaald Lessen in de liefde. (De redenen dat ik juist dit boek erbij pakte laat ik maar in het midden...) Wat me — niet voor het eerst — opviel was dat de woorden die Ovidius ruim 2000 jaar geleden schreef nog altijd actueel zijn, soms zelfs te losbandig lijken voor deze tijd. Er worden uitermate praktische tips gegeven over waar je de liefde van je leven het best kunt ontmoeten, en hoe je diegene moet versieren, behagen, en kunt behouden. Heb je je oog laten vallen op iemand die al bezet is? Geen probleem, met de tips van Ovidius weet je precies hoe je dit moet aanpakken, en hoe je vervolgens bewakers en kamermeisjes kunt omkopen of omzeilen. Ovidius vertelt zonder enige terughoudendheid hoe je er meerdere geliefden tegelijkertijd op na kunt houden, en weet zelfs de oplossing als één van de geliefden achter je dubbele agenda komt:

Doe in bed je best. Daar ligt al snel de vrede: een goede vrijpartij schoont eerder overspel.

De Lessen in de liefde lezen nog gemakkelijker dan de Metamorphosen. Niet alleen vanwege het tijdloze onderwerp en de uiterst pragmatische insteek van de zelfbenoemde “kundig liefdeskenner”, maar ook door het metrum: de Lessen in de liefde zijn in disticha geschreven; dat wil zeggen in combinaties van telkens een hexameter en een pentameter. Een hexameter is een versregel die uit zes versvoeten bestaat, een pentameter bestaat uit vijf versvoeten. Dit lijkt een klein verschil, maar dit metrum werkt eigenlijk als een goed uitgevoerde tweeslag in volleybal: de eerst bal wordt ruim omhoog gespeeld (de eerste regel is verhalend, uitweidend), en de tweede bal wordt direct hard binnengeslagen (en de tweede regel rondt direct af). De Lessen in de liefde zijn dus in een golvend ritme samengesteld, met teksten die soms haast als slagzinnen lezen.

Met het weekeinde (bijna) voor de deur, hieronder nog een paar tips die Ovidius aan vrouwen meegeeft die op het punt staan uit te gaan. Waaruit onder anderen blijkt dat fashionably late helemaal niet iets van de laatste jaren is:

Jij staat te popelen om uit te gaan, ik leid je naar feestvermaken, en ook daar geef ik je raad

Ga laat. Zorg voor een fraai entree bij lamplicht. Laat-zijn flatteert en is de beste liefdesmakelaar;

Zelfs lelijk lijk je voor laat wijnvolk toch wel mooi, en de donkerte verhult wat er aan jou mankeert.

Tast toe met vingermaat; het gaat om netjes eten, prop niet met vette vingers alles in je mond.

Eet weinig, minder dan je op kunt, stop aleer je de grens bereikt; eet thuis desnoods maar eerst iets kleins.

Als Paris Helena te gulzig had zien schrokken had hij haar wel verwenst: ‘Wat heb ik dom geschaakt!’

Wijn drinken dient, ja siert een jonge vrouw veel beter. Bacchus en Venus vormen een prima paar,

En als je hoofd het volhoudt, doen ook geest en benen wel mee, zolang je maar niet één verslijt voor twee.

Schandalig is een vrouw die zwaarbeneveld omvalt. Zo een verdient de ergste vrijer die er is;

En na het eten slapen met je hoofd op tafel schaadt ook, omdat zo’n slaap meestal decorum mist.