Posts tonen met het label Frans. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frans. Alle posts tonen

dinsdag 19 februari 2019

De erfenis van Zola en Sartre

De eerste periode van dit schooljaar mocht ik mijn 6vwo-klas meenemen door de Franse literatuurgeschiedenis. Een lessenserie die hun leven zou veranderen en betere mensen van ze zou maken, zo beloofde ik. Niets was minder waar! Althans, zelf merkte ik dat ik weer met helderdere kaders naar de wereld kon kijken dankzij het opnieuw bestuderen van stromingen en denkbeelden en dankzij het herlezen van gedichten, proza en andere literaire reacties op wereldlijke gebeurtenissen. En of je er nu echt een beter mens van wordt of niet, kennis van (literatuur)geschiedenis helpt ontegenzeggelijk een duidelijker begrip van de wereld van nu — en van onszelf — te krijgen. Gevoelens, twijfels, en levensvragen uit eeuwenoude teksten kunnen we moeiteloos op de huidige wereld en op ons eigen leven projecteren — wat maar weer aantoont dat de mens in al die eeuwen wezenlijk geen spat veranderd is. Precies deze inzichten maken literatuurgeschiedenis tot zo’n mooi en belangrijk onderwerp om op school te behandelen.

Twee — tegengestelde — stromingen kwam ik die periode meerdere malen tegen wanneer ik de krant las: het naturalisme en het existentialisme. Deze stromingen waren niet tegelijkertijd in zwang: eerst maakte het naturalisme furore als “versterkte” tak van het realisme, aan het eind van de 19e eeuw. Pas halverwege de 20e eeuw stak het existentialisme de kop op, aan de hand van grootmeester Jean-Paul Sartre.

Het naturalisme ging, grof gezegd, uit van externe factoren die het lot van ieder mens bepalen: moment, milieu, en race. Oftewel: het moment waarop je geboren bent in de tijd (was er voorspoed? oorlog?), de omgeving waarin je opgroeit (rijke familie? arme familie?), en je genetische belasting (neigen tot alcoholisme? zenuwziektes?) bepalen je levensloop (her en der aangevuld met eigen lusten en driften). Je kunt proberen om te ontworstelen aan je lotsbestemming, maar uiteindelijk is met je geboorte al min of meer bepaald hoe je zult eindigen. Emile Zola was de zelfbenoemde voorman van het naturalisme, met als belangrijkste wapenfeit de romancyclus Les Rougon-Macquart. Hierin beschrijft hij de levens van twee takken van dezelfde familie, waarbij de Rougon-afstammelingen bij geboorte een veel betere set kaarten in de hand hebben dan de telgen van de Macquart-kant. De Macquart-kinderen vertonen dan ook allerlei vormen van degeneratie: de één wordt crimineel, de ander prostituee, weer een ander kampt zoals zijn vader met alcoholisme. Hoewel Zola al met al een vrij somber en onvrij beeld schetst van de mens, kweken zijn boeken tegelijkertijd ook een zeker begrip voor de onderkant van de samenleving.

Het existentialisme daarentegen benadrukt de vrijheid van de mens om zijn/haar leven in te richten: iedereen kan in vrijheid keuzes maken — móet in vrijheid keuzes maken, en daar de verantwoordelijkheid voor nemen. Zo zijn het dus niet externe factoren, maar eigen beslissingen die bepalen wie je bent en waar je terecht komt. De stroming viel in vruchtbare bodem. We spreken de jaren ’50 van de 20e eeuw; de Tweede Wereldoorlog was zojuist ten einde, in Algerije woedde nog een bloedige onafhankelijkheidsstrijd, en ook op andere plaatsen brandde de aarde. Het geloof in de Voorzienigheid of in het goede van een Almachtige was ver te zoeken. Met name jongeren waren zeer vatbaar voor het idee, dat hun identiteit en hun lot nog niet vast lagen. Jean-Paul Sartre bood het verhaal waar ze behoefte aan hadden. In zijn werken staan de hoofdpersonen voor lastige keuzes, waarbij met name in zijn latere werk de nadruk ligt op de relatie tussen het individu en de wereld. Want zeker, iedereen is vrij om zijn eigen keuzes te maken — maar tegelijkertijd zijn we niet alleen op de wereld, en hebben we een verantwoordelijkheid naar elkaar toe.

Toen ik weer midden in deze theorieën zat, las ik in de krant een aantal artikelen waar ik deze kaders moeiteloos op kon leggen. Bijvoorbeeld onderstaande recensie van de film Light as feathers, waarin mijn 6vwo’ers moeiteloos de erfenis van Zola herkenden.

Een tijdje later las ik een ander artikel waarbij de hierboven geschreven denkbeelden even worden aangestipt. En het mooiste hiervan: de geciteerde man in kwestie was een ex-gedetineerde uit de Verenigde Staten. Zou hij weten welke literaire grootheden hij tussen neus en lippen door aanhaalt?

zondag 17 mei 2015

Orphée et Eurydice: opera die de menselijke ziel blootlegt


Afgelopen vrijdag heb ik samen met Lieneke een voorstelling van de Nationale Reisopera bezocht. Allebei waren we niet eerder naar een dergelijk klassiek stuk geweest, dus we waren erg benieuwd. Ik had de voorstelling uitgezocht: in het onvolprezen Stadsblad van Utrecht stond er een artikel over in. Het ging om een uitvoering van Christoph Willibald Gluck’s Orphée et Eurydice, de Franse versie van zijn eerder gecomponeerde Orfeo ed Euridice. Een Frans stuk dat een klassieke mythe vertelt: de gang naar de tickets was vanzelfsprekend snel gemaakt. Bovendien bleek deze avond een prachtige generale repetitie voor het jurkje dat ik aangeschaft had voor een bruiloft in juni. Zodoende kwamen we compleet verzorgd en flink uitgedost aan bij de Stadsschouwburg Utrecht, waar we ons geen moment underdressed voelden. Underaged, dat wel, want het leeuwendeel van het publiek kon met de 65+-pas naar binnen. Gelukkig waren er ook wat kinderen om de gemiddelde leeftijd nog een beetje binnen de perken te houden — helaas droegen dan wel weer twee van hun een ordinair trainingsjack. Die heb ik uiteraard een misprijzende blik toegeworpen (ik voelde me duidelijk helemaal in mijn rol in de nieuwe jurk).

Het verhaal
In Orphée et Eurydice komen drie personages voor: Orphée, Eurydice, en L’Amour (de verpersoonlijking van de liefde). Daarnaast is er een ensemble van ca. twintig zangers en zangeressen. Het bekende verhaal van de zanger Orpheus (in het vervolg hou ik het Franse Orphée aan) en zijn Eurydice wordt bondig verteld, en begint met het huwelijksfeest van de twee. De kersverse echtgenote sterft plotseling; ironisch genoeg net wanneer Orphée haar in een spel geblinddoekt probeert te vangen. De zanger is gek van verdriet. In de eerste zangpartij roept hij enkel drie keer een langgerekt, wanhopig “Eurydice!”, verder verwoordt het koor zijn pijn. Hij wil zich terugtrekken in het bos, hij wil zich overgeven aan zijn verdriet.
Dan verschijnt L’Amour. Zij vertelt hem dat de goden zijn klaagzang gehoord hebben, en medelijden hebben gekregen met zijn lot. Hij mag de onderwereld in om zijn geliefde op te halen.
L’AMOUR
paraissant
L’amour vient au secours de l’amant le plus tendre.
Rassure-toi, les dieux sont touchés de ton sort.
Dans les enfers tu peux te rendre;
Va trouver Eurydice au séjour de la mort.
Er is echter één beperking, die hij niet aan Eurydice mag vertellen: hij mag haar niet aankijken. Dit is een voorschrift van Jupiter, maar waarom dit precies niet mag wordt niet verteld.
ORPHÉE
Dieux! je la reverrais!

L’AMOUR
Oui; mais pour l’obtenir
Il faut te résoudre à remplir
L’ordre que je vais te prescrire.

ORPHÉE
Ah! qui pourrait me retenir?
À tout mon âme est préparée.

L’AMOUR
Apprends la volonté des dieux:
Sur cette amante adorée
Garde-toi de porter un regard curieux,
Ou de toi, pour jamais, tu la vois séparée.
Tels sont de Jupiter les suprêmes décrets.
Rends-toi digne de ses bienfaits!

De afdaling naar de onderwereld: ballet van het ensemble
De afdaling naar de onderwereld werd fantastisch vormgegeven. Midden op het podium was een gat, waar Orphée telkens in afdaalde. Iedere keer kwam hij via een andere kant het podium op, om nogmaals het gat in te duiken. Na de tweede keer verscheen er niet één, maar twee Orphées. En daarna vier. Zes. De afsplitsingen gingen met elkaar in gevecht, buitelden over elkaar heen en doken uiteindelijk achter elkaar dieper en dieper de onderwereld in. Men moet nu eenmaal zichzelf overwinnen om zover af te dalen.
Uiteindelijk komt Orphée in de onderwereld uit, waar hij een groep furieuze schimmen ontmoet. Ze willen hem niet doorlaten. Ook dit ballet werd fantastisch uitgevoerd: de schimmen (het ensemble) zongen Orphée toe en bewogen als één organisch geheel naar hem toe en van hem af. Hoewel ze eerst niets van hem willen weten, weet Orphée ze toch tot bedaren te brengen met zijn klaaglijke gezang. Niets zou erger zijn dan wat hij nu doormaakt, verzekert hij hen. Een afdaling in de onderwereld schijnt hem beter dan te leven met zijn huidige verdriet. De furiën zwichten, verdwijnen één voor één van het podium, en verlenen hem doorgang tot de Elysische velden waar zijn Eurydice zich ophoudt.
FURIES
encore plus doux
Quels chants doux et touchants
Quels accords ravissants!
De si tendres accents
Ont su nous désarmer
Et nous charmer.

Qu’il descende aux enfers!
Les chemins sont ouverts.
Tout cède à la douceur
De son art enchanteur,
Il est vainqueur.
Hoewel “Il est vainqueur” meerdere malen wordt herhaald, is het uiteraard nog lang niet zover. Eurydice is nog lang niet onder de levenden! Wel heeft Orphée haar inmiddels in het oog, nog altijd in haar bruidsjurk. Zij is gelukkig daar:
EURYDICE
Cet asile
aimable et tranquille
Par le bonheur est habité,
C’est le riant séjour de la félicité.
Nul objet ici n’enflamme
L’âme,
Une douce ivresse
Laisse
Un calme heureux dans tous les sens;
Et la sombre tristesse
Cesse
Dans ces lieux innocents.
Hij vraagt, smeekt haar om mee te gaan naar de wereld van de levenden. Maar zij is bang dat hij niet meer van haar houdt. Hij weigert haar immers aan te kijken! In de gebruikelijke vertelling neemt Orphée Eurydice bij de hand en leidt hij haar naar boven. In deze opera niet: de gestorven bruid zit half ingegraven in haar eigen graf en loopt niet met Orphée mee. Waarom voor deze interpretatie is gekozen is me niet duidelijk. Het schept ook verwarring: als kijker wacht je op het moment dat ze de gezamenlijke reis naar boven aangaan. Of gaat dit überhaupt niet gebeuren?
In ieder geval verhevigen de twee zangpartijen. Orphée smeekt of ze meegaat naar boven, Eurydice smeekt om tenminste één blik van haar geliefde. Wanneer dit niet gebeurt spreekt ze uit liever dood te zijn: “Non, ingrat, je préfère encore // La mort qui m’éloigne de toi”. Orphée, steeds wanhopiger, geeft uiteindelijk toe aan haar weeklachten (“Où suis-je? Je ne puis résister à ses pleurs!”). Hij draait zich om, en ziet zijn geliefde sterven.

De rol van Eurydice en andere interpretaties
Ik had er nooit bij stilgestaan dat Orphée zó werd beïnvloed door de smeekbeden van Eurydice. Ik dacht dat Orphée zich niet meer kon beheersen, dat hij zich omdraaide om er zeker van te zijn dat zijn vrouw hem naar de bovenwereld volgde. Een vorm van controle dus, van nieuwsgierigheid, en niet omdat hij er toe werd aangezet door Eurydice. Het bezoek aan de opera heeft me meer bewust gemaakt van de rol van Eurydice, die natuurlijk volkomen verward moet zijn geweest: ze krijgt nota bene in de onderwereld bezoek van haar echtgenoot, maar hij kijkt haar helemaal niet aan! Haar twijfel aan zijn liefde is heel goed voor te stellen. Het deed me ook beseffen dat Orphée haar óók zou verliezen als hij zich niet zou omdraaien: dan zou Eurydice hem waarschijnlijk helemaal niet verder gevolgd zijn.
Een interview met Floris Visser, regisseur van het stuk, gaf me een andere interpretatie van dit gedeelte. Wat nou, als Orphée helemaal niet zijn gestorven echtgenote in de onderwereld aantrof, maar dat hij slechts een beeld van haar voor zich had, een hersenschim van hemzelf? Dat zou verklaren waarom hij haar niet mag aankijken: hij kán haar immers helemaal niet aankijken, want ze bestaat niet. Orphée, die niet de moed kon opbrengen voor Eurydice te sterven, houdt zich zo vast aan de gedachte dat zij daar beneden is, in de onderwereld, klaar om met hem mee naar boven te gaan. Wanneer hij kijkt — en hij weet al dat dat het einde zal betekenen van Eurydice — ziet hij dat dit niet de werkelijkheid is. Zijn beeld van Eurydice verdwijnt, vervluchtigt, en ze sterft voor de tweede maal. Dit keer moet Orpheus wel accepteren dat ze weg is, en niet zal wederkeren. “Wat nou als het een illusie is? Dan wordt het omkijken een inzicht,” aldus Visser.
Een belangrijke inspiratiebron voor deze invalshoek is Monteverdi’s opera L’Orfeo, waarin Orfeo/Orphée samen met L’Esperanza (Hoop) de tocht naar beneden maakt. De hoop om zijn Eurydice weer terug te vinden houdt hem op de been. In Orphée et Eurydice schiet L’Amour te hulp in plaats van L’Esperanza. Liefde als vorm van hoop. Door om te kijken sterft deze liefde resp. hoop, en wordt Orphée andermaal voor de loodzware taak gesteld te rouwen. Immers, “Rouw is wennen aan het ondraaglijke,” zoals het programmaboekje een (helaas) niet nader genoemde bron citeert. Iets waartoe de hoofdpersoon niet in staat is. En dat maakt hem gek, en zorgt ervoor dat hij in de onderwereld afdaalt, zijn hersenschimmen achterna.

Het einde
Nu hij voor de tweede keer zijn Eurydice verloren heeft is Orphée radeloos, nog radelozer dan de eerste keer. Alle hoop is nu verloren: Eurydice zal niet terugkeren. Huilend werpt hij zich op de grond, hij wil zelfmoord plegen om herenigd te worden met zijn vrouw. Zo ver komt het echter niet: L’Amour verschijnt nogmaals. Omdat Orphée zich zo standvastig en toegewijd heeft getoond, wil ze hem helpen. Ze wekt Eurydice weer tot leven, en de twee geliefden krijgen nog een kans om onder de levenden samen een bestaan op te bouwen.
Dit laatste is een aanpassing van de klassieke overlevering: volgens Ovidius (boek X en XI) leeft Orphée nog drie jaar ongelukkig, tot hij door een groep waanzinnige bacchanten aangevallen en verscheurd wordt. Zijn ziel daalt af naar de onderwereld en wordt daar herenigd met Eurydice. “Sindsdien zijn zij daar [op de Elysische velden] samen, zij aan zij of één voorop en één die volgt — en dan is het dikwijls Orpheus die omkijkt, maar nu zonder angst, naar zijn Eurydice” (Ovidius, Metamorphosen XI 61-65).
Waarom deze aanpassing gedaan is, is me niet helemaal duidelijk. Een man die naast ons zat legde uit dat men in de 18e eeuw graag wilde dat een opera goed afliep. Op mij kwam het wat gekunsteld over, zo’n rigoureuze aanpassing van de klassieke mythe. Een vrij “makkelijk” einde ook, zoals L’Amour Eurydice zomaar weer tot leven wekte.
Hoewel de opera van Gluck nog eindigt met een koorzang waarbij de terugkeer van Eurydice en het overwinnen van de liefde (“L’amour triomphe!”) wordt bezongen, eindigde de uitvoering van vrijdagavond met dit laatste beeld. Een gelukkig einde dus, na een meeslepende voorstelling die een onmetelijke pijn schitterend heeft blootgelegd. Want eigenlijk draait het hele verhaal daarom, zoals Visser in het programmaboekje zegt: “Wat doe je als dat wat je het meest liefhebt, je wordt afgenomen?”

Gehele tekst te vinden op http://www.impresario.ch/libretto/libgluorf_f.htm

Orphée en Eurydice tijdens hun huwelijk. © Nederlandse Reisopera 2015

Orphée en het ensemble. © Nederlandse Reisopera 2015

zaterdag 21 februari 2015

La complainte de la butte

Omdat dit jaar Moulin Rouge als schoolmusical zal worden opgevoerd, hadden twee leerlingen me gevraagd in de les een keer een liedje uit dit stuk te behandelen. Om die reden heb ik me vorige week gebogen over het nummer “La complainte de la butte”. Dit nummer was oorspronkelijk geschreven voor French Cancan (1954), door de regisseur van deze film, Jean Renoir. Voor de film Moulin Rouge! (2001) heeft de in Montréal opgegroeide zanger Rufus Wainwright het nummer heropgenomen. De gevoelige pianomuziek, de scherpe, klagende stem van Wainwright en met name de sublieme tekst maken het tot een prachtig nummer. Hieronder een korte inleiding, daaronder de tekst met tussendoor mijn commentaar.


Het is een kalme, heldere nacht, het maanlicht glanst op de natgeregende straten van Parijs. We bevinden ons in het noorden van de stad, in de wijk Montmartre, aan de voet van de gelijknamige heuvel. De indrukwekkende Sacré Coeur staat op de top van La butte (“de heuvel”), verder is de kunstenaarswijk bekend om haar keur aan louche nachtclubs. De ik-persoon wandelt met zijn ziel onder zijn arm door de vrijwel verlaten straten. Zijn hart is gebroken, en het leven weegt hem zwaar. Maar dan komt hij haar tegen. Zij is een armoedig scharminkel met een jurk vol gaten, een meisje nog. De ik-persoon echter is op slag verliefd en ziet niets dan schoonheid in haar.

La lune trop blême // pose un diadème // sur tes cheveux roux
La lune trop rousse // de gloire éclabousse // ton jupon plein d’trous
La lune trop pâle // caresse l’opale // de tes yeux blasés
Princesse de la rue // soit la bienvenue // dans mon cœur brisé

In de eerste drie zinnen vormt de maan (la lune) het onderwerp. De ik-persoon treedt niet als handelende persoon op, waardoor de afstand tussen hem en het meisje voelbaar is. De maan speelt hier de hoofdrol, het meisje is de aanbeden persoon, en de ik-persoon is slechts toeschouwer. Hij richt zich wel tot haar, hij heeft het immers over “je rode haren”, “je jurk vol met gaten”, en “je vermoeide ogen”, maar hij heeft nog lang geen contact.

De maan kan ondertussen niet anders dan de schoonheid van het meisje belichten. Door de lichtval lijkt het of ze een diadeem op haar rode haar draagt, de roodachtige gloed schijnt prachtig op haar versleten jurk, en hoewel de vermoeidheid uit haar ogen spreekt, schitteren ze dankzij het licht van de maan als opaal — overigens een edelsteen die al sinds de oudheid gebruikt wordt als medicijn tegen melancholie, precies waar de ik-persoon onder lijdt.

Dan, in de laatste zin van het eerste couplet, richt de zanger zich wél direct tot het meisje. “Prinses van de straat, wees welkom in mijn gebroken hart”, zo verwelkomt hij haar. Waarbij Princesse de la rue een mooie variatie vormt op femme de la rue, andere benaming voor een prostituee. In deze laatste zin zingt hij voor het eerst ook over zichzelf: hij stelt zijn gebroken hart open.

Les escaliers de la butte sont durs aux miséreux
Les ailes du Moulin protègent les amoureux          [refrain]

In het refrein worden de steile trappen naar de top van Montmartre bezongen. De armzaligen valt de klim zwaar. Geliefden echter vinden onder de wieken van de Moulin Rouge, aan de voet van de heuvel, bescherming en kracht.

Ma petite mandigotte, // je sens ta menotte // qui cherche ma main
Je sens ta poitrine // et ta taille fine ; // j’oublie mon chagrin
Je sens sur tes lèvres // une odeur de fièvre // de gosse mal nourri
Et sous ta caresse // je sens une ivresse // qui m’anéantit

In het tweede couplet is het contact gelegd. Dit contact wordt steeds intenser. In de eerste regel houden ze elkaars handen vast, in de tweede regel voelt de ik-persoon het lichaam van het meisje, in de derde regel kust hij haar, en in de vierde regel bezingt hij het gevoel dat haar omhelzing bij hem teweegbrengt.

Uit de woorden van de eerste drie regels blijkt dat we echt nog met een jong meisje te maken hebben: we horen “petite mandigotte”, (klein bedelaartje), “menotte” (handje), “taille fine” (dunne taille), en “gosse” (kind). In elke regel zingt de ik-persoon “je sens” (ik voel), elke keer volgt een beschrijving wat hij fysiek aanraakt. Net als in het eerste couplet is de vierde regel van een andere categorie. Weer horen we “je sens”, maar nu gaat het niet om wat de ik-persoon van het meisje voelt, maar wat hij intern beleeft onder haar omhelzing: “een roes die me sloopt”, aldus de gebroken man die weer liefde voelt.

[refrain]

Et voilà qu’elle trotte // La lune qui flotte // La princesse aussi
La la la la la, la la la la la
Mes rêves épanouis

[refrain]

In het laatste couplet verdwijnt het meisje weer in de Parijse nacht. Ze wordt zelfs niet meer (in)direct aangesproken, de zanger kan slechts registreren hoe de prinses van de straat wegtrippelt, wegzweeft, net als de maan al doet. Is alle licht dan gedoofd? Nee, want na een kort moment waarin we de maan en het meisje de gelegenheid geven volledig van het toneel te verdwijnen (La la la la …), blijft de zanger over met zijn rêves épanouis, oftewel zijn “ontluikende (stralende) dromen”.


De tekst van dit nummer is zowel qua klank als qua betekenis op uiterst vakkundige wijze geconstrueerd. Ten eerste bevatten de zinnen een prachtige ritmiek, waarbij de zinnen zowel onderling als intern (binnenrijm) heel natuurlijk en feilloos rijmen. Ten tweede wordt met feitelijk slechts een paar zinnen een gebeurtenis zó beschreven, dat het lijkt of je zelf ook in Montmartre bent, toeschouwer bij deze ontmoeting. Een deel van wat ik voor me zie is zeker eigen invulling (bijvoorbeeld de natgeregende straten), maar ik heb niet vaak dat een nummer zó haarscherp een beeld bij me oproept. De opbouw van betekenis in de coupletten voert je langs een ontmoeting die even vluchtig als hartverwarmend is. Hoe het de ik-persoon en het naamloze meisje na hun treffen is vergaan zullen we nooit weten. Gelukkig kunnen we dit korte ogenblik van bitterzoete vreugde tot in de eeuwigheid blijven herhalen.


zondag 17 augustus 2014

Stromae en David Bowie

Omdat ik in één van de eerste lessen voor 4 VWO een nummer van Stromae wil gebruiken (Papaoutai) heb ik wat zitten rondkijken op YouTube. Want hoewel ik Stromaes muziek al goed kende, was ik met zijn clips vooralsnog onbekend. Die blijken buitengewoon artistiek, en ondersteunen écht het verhaal dat hij met zijn muziek vertelt.

Zo is hij in Tous les mêmes tegelijkertijd zowel een man als een vrouw. Aan één kant heeft hij lang haar en oogschaduw en gedraagt hij zich vrouwelijk, maar wanneer de camera hem vanaf de andere kant filmt ziet hij eruit als een man en gedraagt hij zich ook zo. Ondertussen bezingt hij de eeuwige verschillen en relatieperikelen tussen man en vrouw, van beide kanten. Hij besluit met “Tous les mêmes, tous les mêmes, tous les mêmes, et y’en a marre”, oftewel “allemaal hetzelfde, allemaal hetzelfde, allemaal hetzelfde, en we zijn het zat”.

Ook Papaoutai heeft een originele en artistieke clip. Hierin krijgt een klein jochie maar geen contact met zijn onbeweeglijke vader die er overigens precies zo uitziet als hijzelf, maar dan wat groter. Stromae zelf speelt de vader. Hij kan zich angstaanjagend goed als onbeweeglijke pop neerzetten: aanwezig maar onbereikbaar. De video geeft ook ruimte voor nieuwe interpretaties van de tekst: het is duidelijk dat Stromae zingt over een niet-aanwezig vader, maar in de clip is er toch zeker wél iemand, hoewel onbereikbaar. Is dit dan slechts een droombeeld van het zoontje? En wat betekent dit voor “Sans même devoir lui parler, il sait ce qui ne va pas” (“zonder zelfs met hem te moeten praten, weet hij wat niet gaat”)? Ik dacht altijd dat hiermee bedoeld werd dat zijn moeder zijn afwezige vader aanhaalde om haar verboden op één of andere manier kracht bij te zetten (“dat mag niet van je vader”), maar het zou ook kunnen dat het jongetje wél denkt een goede band met zijn (ingebeelde) vader te hebben. Zonder woorden weet zijn vader wanneer hij zich niet goed voelt. Ik ben heel benieuwd wat mijn leerlingen volgende week te zeggen hebben over deze en andere kwesties!

Toen ik vandaag de uitvoering van Papaoutai bekeek waar Stromae Lowlands op trakteerde, deed de opkomst me heel sterk denken aan een ander, vooralsnog veel groter artiest. Stromae werd namelijk het podium opgedragen, en als een wassen beeld voor zijn microfoon neergezet. Dit had ik al eerder gezien bij live-uitvoeringen van dit nummer, maar deze keer schoot me het beeld te binnen van hoe David Bowie (ja, hij weer!) in 1979 bij een Saturday Night Live-show voor zijn microfoon gezet werd. Hij móest ook wel getild worden, omdat het pak dat hij droeg het niet toestond te lopen.

Ik vraag me af in hoeverre Stromae David Bowie kent en zich er al dan niet bewust door laat inspireren. Behalve deze (triviale) gelijkenis deed namelijk ook de androgyne verschijning die Stromae in Tous les mêmes neerzet me aan Bowie denken. Laatstgenoemde is misschien wel de bekendste artiest die zich graag androgyn kleedde en opmaakte, hoewel ik zo niet een uitdossing voor de geest kan halen waarin beide seksen verenigd zijn op zo’n duidelijk gescheiden wijze, zoals bij Stromae. De kleren die Stromae in de clip draagt, zouden in ieder geval zó uit Bowies kast kunnen komen. En dan nog iets: aan het einde van de video danst de androgyne Stromae met een meisje dat zeer op hem lijkt, en eenzelfde androgyne verschijning is. Wie dacht er nog meer aan de (overigens vrij recente) clip van The Stars (Are Out Tonight), waarin een jonge David Bowie door een vrouw gespeeld wordt, en de oude Bowie zijn jonge, vrouwelijke evenbeeld ontmoet?

Misschien zie ik hier parallellen of invloeden omdat ik die wíl zien — wij mensen willen nu eenmaal graag connecties leggen en structuur zien, ook waar die er eigenlijk niet is. Ik ben daar geen uitzondering op. Maar ook los van elkaar zijn Bowie en Stromae fenomenen die niet alleen door hun muziek indruk maken. En daarvoor zeg ik uit de grond van mijn hart: thank you en merci!


Stromae bij So You Think You Can Dance (2013). Precies zo’n opkomst deed hij gisteren op Low­lands. Daarvan kon ik nog geen losse video vinden, vandaar de keuze voor deze.


David Bowie bij Saturday Night Live (1979)




Stromae, Tous les mêmes


David Bowie, The Stars (Are Out Tonight) (uitgebreide versie)




Stromae in Tous les mêmes


Stromae en zijn vrouwelijke evenbeeld in Tous les mêmes


David Bowie en zijn vrouwelijke evenbeeld in The Stars (Are Out Tonight)

maandag 19 mei 2014

Dans la maison

Afgelopen zondag heb ik Dans la maison gekeken. Een film die ondanks beperkte actie en beperkte ruimtes van begin tot eind boeit, dankzij een zeer intrigerend plot. Een film waarin door de samensmelting van (vertel)realiteit en fictie alles mogelijk is, en niet in positieve zin.

Dans la maison gaat over Germain, leraar Frans, en zijn leerling Claude. Laatstgenoemde beschrijft in een opstel hoe hij in het huis van klasgenoot Rapha binnen is gekomen, iets wat hij al lang wilde — de reden waarom Claude zo gebiologeerd is door het huis en zijn bewoners krijgen we niet te weten. Het opstel is goed geschreven en prikkelt Germain. Hij moedigt Claude aan door te gaan met schrijven. Claude geeft hier graag gehoor aan, en dringt steeds dieper door in de familie van Rapha, die behalve zoonlief uit vader Rapha sr. en moeder Esther bestaat. Al gauw echter begint realiteit en fictie in zijn opstellen door elkaar te lopen, deels door de aanwijzingen van Germain (“Rapha jr. is een vlak personage zonder enig conflict! Geef hem toch meer diepgang!”), en deels door de verborgen verlangens van Claude zelf die zich steeds prominenter uiten in gefantaseerde stukken in zijn opstel.

Maar welke gebeurtenissen zijn licht aangepast of aangedikt om aan de tips van Germain gehoor te geven, wat is pure fantasie en wat gebeurt er nu echt in het huis? Hoe verder de film vordert, hoe minder je als kijker weet wat je kunt vertrouwen. Eerst heb je nog het houvast dat pas wanneer Germain of zijn vrouw de verhalen van papier leest, de verhaallijn rond Claude en de familie Rapha wordt ontvouwen. Later is hier helemaal geen papier meer voor nodig, en fictie en realiteit raken al helemaal verwikkeld wanneer Germain óók in het huis van de Rapha’s opduikt en directe aanwijzingen geeft over het verloop van het verhaal dat zich recht voor hem afspeelt.

Het inkaderen van een verhaal in een verhaal (mise en abyme) is natuurlijk een beproefd concept. Eén van mijn favoriete auteurs, Paul Auster, is hier een meester in: in zijn boeken is soms direct duidelijk dat we met een raamvertelling te maken hebben (ik denk aan Man in the dark), soms is dit subtieler. Het beste voorbeeld hiervan is het briljante Invisible, waarin de secundaire verteller overigens ook onbetrouwbaar blijkt. Deze grijpt echter niet rechtstreeks in in de tweede laag, hij presenteert de gebeurtenissen alleen overgoten met een sausje van fantasie en een iets teveel aan eigen interpretatie. Een voorbeeld van een boek waarbij iemand uit de eerste laag wél rechtstreeks ingrijpt in de gebeurtenissen die zich een vertellaag lager afspelen, is Het oneindige verhaal van Michael Ende. In dit boek is het Bastiaan zelf die uiteindelijk het rijk Fantasia redt, waarover hij in een boek leest.

In Het oneindige verhaal zorgt het ingrijpen in de lagere vertellaag niet voor een gespannen sfeer. Integendeel, de versmelting van vertelwerkelijkheid en fantasie zorgt er juist voor dat Bastiaan allerlei buitengewone avonturen in Fantasia beleeft.

De sfeer in Dans la maison daarentegen wordt spannender en spannender. Hoewel Claude al meteen wordt neergezet als een wat vreemd joch (hoe hij in het huis van zijn ‘vriend’ Rapha diens ouders bespioneert, hoe berekenend hij de vriendschap met Rapha opbouwt, de wat neerkijkende toon waarmee hij mensen beschrijft), wordt hij hoe langer hoe enger. Niet alleen worden zijn verhalen steeds onbetrouwbaarder, ook lijkt hij steeds uitgekookter en killer te werk te gaan. En vooral: hij schrijft alles op, dus hij maakt het verhaal. Door het vervagen van de grens tussen eerste- en tweede verhaallijn lijkt Claude als een poppenspeler te beschikken over de lotgevallen van Rapha en zijn familie. Tot het een zaak van leven en dood lijkt — of is?

Het zwakke punt van de film is wat mij betreft het wat softe einde. Enerzijds was ik opgelucht na de ontknoping, anderzijds is het zonde dat de opgebouwde spanning en de opgestapelde vragen niet in een verwoestende climax resulteren. Geen vuurwerk in de finale dus, maar een sereen eindshot dat wat mij betreft de rest van de film wat afzwakt. Wat het overigens wel weer tot een prima film voor op de zondagavond maakt.


zondag 30 maart 2014

“La douleur exquise”

Een paar dagen geleden stuitte ik op de facebookpagina Word porn, die ik met één druk op de knop van een duimpje extra voorzag. Word porn publiceert elke paar uur een mooie zin, een mooi woord, etc. Het leeuwendeel bestaat uit quasi-diepzinnige uitspraken, zoals het gisteren gepubliceerde “The strongest drug that exists for a human is another human being.”. (Let ook op de punt achter “being”, waardoor de tegeltjeswijsheid als voldongen feit gepresenteerd wordt: de sterkste drug die er voor een mens bestaat is een ander mens, punt uit.) Tamelijk walgelijk. Waar ik overigens mijn wenkbrauwen optrok en snel weer verder scrollde, hebben inmiddels al ruim 127.000 andere Word porn-fans deze uitspraak met een “like” beloond, en is hij al zo’n 26.300 keer gedeeld. En dat in één dag tijd.

Maar behalve weeïge oneliners biedt de pagina ook mooiere woorden aan. Quotes uit boeken of van schrijvers (Bukowski is favoriet), of woorden of begrippen uit een andere taal die een specifieke betekenis hebben. In de laatste categorie zag ik het Franse “La douleur exquise” voorbij komen, vertaald met “the heart-wrenching pain of wanting the affection of someone unattainable”. Een zwaar romantisch begrip, dat in het Frans een gedicht op zich is. Spreek het maar een paar keer hardop uit om te begrijpen wat ik bedoel. “La douleur” heeft lange, ronde klinkers; het woord is heerlijk zwaar uit te spreken. Ellende, langdurende ellende. De toevoeging “exquise” geeft het begrip een scherpe rand: na het korte, harde “ex” volgt de lange “ui” waarbij je gezicht in een gepijnigde grimas getrokken wordt. Als je het overdreven uitspreekt (het beste te doen in een afgesloten ruimte zonder gezelschap), hoor je de betekenis van het begrip al in de klanken die je vormt.

Het begrip wierp mij een aantal jaar terug in de tijd, toen ik nog Frans studeerde en de gedichten van schrijvers als François Villon, Charles Baudelaire, Joachim du Bellay (zijn naam vond ik mooier dan zijn gedichten), en Stéphane Mallarmé bestudeerde. Met name in de romantische literatuur is het Frans de taal bij uitstek om het gevoel van spleen (zwaarmoedigheid), of van ennui (existentiële verveling) uit te drukken — en ook hier: spreek het woord “ennui” een paar keer hardop uit, en het zal al gauw een verveelde klank krijgen.

In die tijd kwam ook de novelle Sylvie (1853) van Gérard de Nerval voorbij, en toen ik vanmorgen mijn aantekeningen over dit stuk herlas, was de link met “La douleur exquise” gemakkelijk gelegd. In Sylvie vertelt de ikfiguur over de drie vrouwen die hij heeft liefgehad of liefheeft. Het gaat om Sylvie, een meisje uit zijn geboortedorp, om Adrienne, een schoonheid die op een gegeven moment het klooster in gaat, en om Aurélie, een actrice in Parijs. Alle drie de vrouwen zijn onbereikbaar: Sylvie trouwt met een ander en krijgt daar twee kinderen mee, Adrienne zit in het klooster en sterft daar op een gegeven moment — iets waar de verteller pas jaren later achter komt —, en Aurélie gelooft niet dat hij echt van haar houdt (“Vous ne m’aimez pas, [...] vous cherchez un drame!”) en heeft bovendien een andere vriend.

In deze laatste scène gaat de verteller aan zijn eigen gevoelens twijfelen: “Ces enthousiasmes bizarres que j’avais ressentis si longtemps, ces rêves, ces pleurs, ces désespoirs et ces tendresses, ... ce n’était donc pas l’amour? Mais où donc est-il?” (“Dat bizarre enthousiasme dat ik zo lang voelde, die dromen, die tranen, die wanhoop en die warme gevoelens... dat was dus geen liefde? Maar waar is die dan?”). En hier zit de crux: de novelle draait niet om (het vinden van) de ware liefde, maar om het gemis ervan en de “douleur exquise” die dit teweegbrengt. De ikfiguur zal nooit zijn droomvrouw vinden, hij zal altijd blijven hunkeren. Aurélie verwoordt het heel treffend met het eerder aangehaalde “vous cherchez un drame!”; de verteller is continu op zoek naar een onbereikbare vrouw, maar zodra ze iets te dichtbij komt verplaatst De Nerval de focus naar een volgend ideaalbeeld. “La douleur exquise” wordt zodoende gekoesterd, gevoed, en vormt de rode draad in de novelle.

Van Facebook naar 19e eeuwse Franse roman, de stap blijkt kleiner dan ze op het eerste gezicht lijkt!