Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen

vrijdag 27 april 2018

Call me by your name

Eind januari zag ik de film Call me by your name. Inmiddels bijna drie maanden geleden dus, maar dat geeft niet. Want ik heb veel nagedacht over het thema nostalgie cq melancholisch terugblikken op het mooie wat ooit was in deze film, dus in dat licht bezien is het niet meer dan logisch dan dat ik er nu pas in retrospectief over schrijf — en me licht verdrietig voel omdat ik de film nooit meer voor de eerste keer kan zien. Ik heb op de achtergrond de soundtrack opstaan en laat de nummers mijn herinneringen oproepen.

Call me by your name gaat over de ontluikende liefde tussen de zeventienjarige Elio en de zeven jaar oudere Amerikaanse student Oliver. Het speelt zich af tijdens een broeierige zomer in Italië, in de jaren ’80. De film was genomineerd voor een Oscar voor de beste film, maar heeft deze niet gewonnen. Onterecht, als je het mij vraagt. Want het was lang geleden dat een film mij zó wist te raken.

Zoals ik zei heb ik veel nagedacht over het thema nostalgie en vergane schoonheid in de film. Ik heb in de film een aantal elementen gevonden die hieraan raken, en de eerste is vrij algemeen: de tijd en het seizoen waarin de film zich afspeelt. Het zijn de jaren ’80. Mobiele telefoons bestaan nog niet, de shirts zijn wijd en kleurrijk, de kapsels zijn net wat langer dan dat ze nu zijn, en de muziek ’s avonds is overduidelijk ook uit die tijd. Sowieso lijkt de hele film geschoten in een soort technicolor, hoewel het misschien de verzadigde, warme kleuren van het Italiaanse platteland zijn die ik hiermee verwar. Toen ik de film bezocht was het eind januari 2018, koud. Gedurende 132 minuten waande ik me in een andere wereld, die zowel qua tijdsgeest als qua weer allang niet meer was.

De tweede uiting van nostalgie zit in de expertise van Elio’s vader en Oliver: archeologie. Wanneer de twee een antieke vondst bekijken bij het Gardameer zie je ze in stille bewondering het opgeviste beeld bekijken. Dat is iets wat ik me uit mijn studie Oudheidkunde nog heel goed herinner: de verwondering en tegelijk de melancholie die de klassieken kunnen oproepen. Je verdiept je in een volk, in haar gebruiken, haar verhalen, haar kunstwerken… En juist als je er midden in zit komt onherroepelijk het besef dat de wereld doorgedraaid is. Dat de personen die je bestudeerde allang niet meer leven, dat de steden die in de verhalen voorkomen niet meer bestaan of dat er inmiddels lichtreclame te vinden is, en dat de gebruiken en de rituelen die het leven toen vormgaven niet meer bestaan in deze wereld.

Maar de sterkste uiting van melancholie voel je eigenlijk gedurende de hele film in het hoofdthema. Je wéét dat je naar een liefde kijkt die niet kan blijven bestaan. Je wéét dat ze gedoemd is te eindigen. Je geniet mee, maar weet tegelijkertijd dat de liefde slechts voort kan bestaan zolang het zomer is. Toen in de film de winterse beelden kwamen, voelde ik mijzelf van binnen ook direct koud worden. Want ik besefte dat de liefde ten einde was. Toen de telefoon ging, wist ik het. En Elio ook, denk ik. Hij hoorde de woorden van Oliver — inmiddels getrouwd — en hing op. En toen kwamen de stille, woordeloze tranen. Voor de open haard huilde Elio om al het mooie dat voorbij was. En ik met hem.

En ondertussen zong Sufjan Stevens Visions of Gideon waarmee de relatie tussen Elio en Oliver definitief tot het verleden behoort:

I have loved you for the last time
Is it a video? Is it a video?
I have touched you for the last time
Is it a video? Is it a video?

For the love, for laughter, I flew up to your arms
Is it a video? Is it a video?
For the love, for laughter, I flew up to your arms
Is it a video? Is it a video?
Is it a video?

I have loved you for the last time
Visions of Gideon, visions of Gideon
And I have kissed you for the last time
Visions of Gideon, visions of Gideon

Overigens heb ik nagezocht wie Gideon was. Zijn verhaal staat in het Oude Testament, in Richteren 6-8. Gideon wordt bezocht door engelen van God die hem opdrachten geven, maar hij twijfelt aan zijn eigen kunnen en hij wil meerdere malen bevestiging van God zelf dat Hij echt hem heeft uitgekozen voor de taken. Hij kan niet zomaar zijn visioenen geloven. Aan het einde van Call me by your name, wanneer Elio bij het haardvuur in stilte huilt en terugdenkt, staan zijn herinneringen aan de warme zomer met Oliver mijlenver van zijn huidige situatie af. Het voelt voor hem of hij naar een film kijkt, geschoten in een andere tijd met andere personen. Was hij dit echt, die dit heeft meegemaakt? Ja, zegt Sufjan Stevens: net als bij Gideon is geen twijfel nodig. Wat hij voor zijn geestesoog ziet is echt gebeurd. Het is geen video. Juist deze songtekst aan het einde van de film zorgt dat Call me by your name ineens op een hoger niveau aangrijpt. Want wij bioscoopbezoekers, keken wij eigenlijk wel naar een film? Of zagen we (flarden van) onze eigen herinneringen? Want waarom grijpt een film anders zoveel mensen over de hele wereld aan? Stel jezelf na het kijken van Call me by your name daarom dezelfde vraag: Was it a video?

dinsdag 11 juli 2017

Swimming with the crocodiles

We waren op de terugweg van een verjaardag in Nijmegen toen mijn vriendin vroeg of ik nog wat muziek wilde horen. “Swimming with the crocodiles” zei ik, want dat nummer had ik al een paar kilometer in mijn hoofd. Ze opende Spotify en we luisterden naar het nummer van The Veils. Ik zong de tekst wat mee en we spraken over de betekenis van het nummer. Ik vertelde haar wat ik voor me zag bij dit nummer, we filosofeerden wat over de betekenis van de tekst, en ik besloot om thuis de tekst wat dieper in te duiken. Dat heb ik nu gedaan

Google geeft weinig resultaten voor “swimming with the crocodiles song meaning”, hoewel één album review er een korte notitie over maakt en één blog het nummer ooit heeft uitgeroepen tot “Song of the day” — zonder diep op de songtekst in te gaan overigens. Eigenlijk was ik opgelucht met zo weinig zoekresultaten, want dat betekent dat ik lekker mijn eigen interpretatie de vrije loop kan laten.

Goed, het nummer. Het nummer begint ingetogen met een gitaar/elektrische piano/bas en een strakke drum. Dan begint Finn Andrews te zingen.


Take the bandage off his eyes
Take the bandage off and then go down
Swimming with the crocodiles
Spinning round and round and round
Only I know I’m better off this way
The water’s still the safest place to stay

Wat het eerst opvalt is de perspectiefwisseling. De eerste regel vertelt over “his eyes”, de laatste twee zijn in de ik-vorm geschreven. Alsof de ik-persoon eerst zichzelf van buitenaf beschouwt om daarna het perspectief naar zich toe te trekken.

Interessant is dat bij die laatste twee zinnen (nu dus vanuit de ik-persoon) de melodie van de pedal steel (een soort liggende gitaar waarmee elektronische, slepende tonen kunnen worden gemaakt) voor het eerst de melodie van de tekst volgt. Muziek en zang worden hier één, waarmee de eenkennigheid en eenzaamheid van de “I” wordt benadrukt. Hij weet dat hij het beste af is daar bij de krokodillenpoel, er is geen tegengeluid.

Ook opvallend is de 4e regel in combinatie met de 6e: “Spinning round and round and round” horen we eerst, en in de 6e regel wordt het water aangeduid als de veiligste plek om te zijn. Voor mij roept dit het beeld op van iemand die zich volledig overgeeft aan het water, die meegesleurd wíl worden in de draaikolk, zonder dat hij bang is of in paniek raakt. Integendeel: hij laat het water graag zijn richting bepalen.

They’re sinking in their teeth tonight
I can feel them move beneath me with no sound
Swimming with the crocodiles
Spinning round and round and round
Only I know I’m better off this way
The water’s still the safest place to stay

In het tweede couplet voel je de stille aanwezigheid van de krokodillen, en wordt als een mantra nog eens de overgave aan de draaikolk opgeroepen.

Dan wordt de muziek voller, liefdevoller ook, en we krijgen een inkijk in de diepere gevoelswereld van de ik-persoon:

You’re all I’ve ever wanted
There’s no remedy (live: And you’re no remedy)
I feel you when there’s no one else around
Hold me like a child, you swollen crocodile
Hold me under till I drown
Then pull me down, baby.

Duidelijk is dat de ik-persoon pijn heeft. Opvallend is dat op de albumversie “There’s no remedy” wordt gezongen en in de liveversie “And you’re no remedy”. Op de albumversie is de “you” het probleem an sich, terwijl in de liveversie de ik-persoon met nog iets ergers kampt — iets waar zelfs de “you” niet bij kan helpen. Hoe het ook zij, de ik-persoon heeft duidelijk groot zeer.

Hij wil verdwijnen in de poel met krokodillen. Hoewel ik eerst dacht dat de ik-persoon daarmee wil sterven, ben ik later van opvatting veranderd. Want staan de krokodillen in de bezongen poel wel voor de vijand? Ik denk het niet. Ik denk dat in dit nummer de krokodillen voor de duistere kant van de ik-persoon staan. Vertaald naar Jungeriaans archetype zou het om de schaduw van de verteller gaan, het deel van de persoonlijkheid waar primitieve, dierlijke instincten huizen maar waar ook creativiteit en inspiratie uit voortkomt (bedenk hoeveel kunstenaars een duidelijke duistere kant hebben!). De samenhang tussen primitieve schepsels (de krokodillen) en primitieve instincten is gemakkelijk te zien.

De ik-persoon vraagt ze om hem als een kind vast te houden, wil dat ze hem meetrekken naar hun wereld, onder water. Dit kan symbool staan voor een (tijdelijk) vluchten naar een schimmig gebied, zij het in herinneringen, drugs wellicht, in de nacht.

Overigens hoorde ik heel vaak “Hold me a little I drown” in plaats van “Hold me under till I drown”. Zou dit bewust zo vaag zijn gezongen? “Hold me a little I drown” suggereert dat de ik-persoon de krokodillen als zijn reddingsboei ziet: in het echte leven gaat hij ten onder aan de pijn, en zijn duistere kant, met de krokodillen als verpersoonlijking daarvan, is zijn redding.

Wat ik alleen niet begrijp, is waarom het om een “swollen crocodile” gaat. Waarom dat “swollen”? Bedoelt Andrews dat de schaduw is gegroeid, gevoed door miskenningen en tekortkomingen? Wie het weet, mag het graag zeggen.

Tell me what you came for
Tell me what you can and what you can’t
Cause honey I might need a while —
Honey I might need a while longer
Only I know I’m better off this way
The water’s still the safest place to stay

Dit couplet lijkt goed aan te sluiten bij de liveversie die ik hierboven aanhaalde, waarbij Andrews niet “there’s no remedy” zingt maar “you’re no remedy”. De moeilijkheden waar de ik-persoon mee moet afrekenen, zijn te groot. Hij kan niet in zee gaan met zijn geliefde, hoewel hij dat het liefst zou willen (immers: “you’re all I’ve ever wanted”). Hij heeft tijd nodig, tijd in die poel waar hij in contact kan komen met zijn duistere kant.

You’re all I’ve ever wanted
There’s no remedy (live: And you’re no remedy)
I feel you when there’s no one else around
Hold me like a child, you swollen crocodile
Hold me under till I drown
Then pull me down, baby.


Kortom, een melancholisch nummer waarin de ik-persoon berust in zijn situatie en met zijn volle verstand kiest voor een vertrek naar de duistere kant. Niet per se een nummer dat je onderweg van een verjaardag en in goede stemming luistert, zou je denken. Maar Swimming with the crocodiles is simpelweg een prachtig nummer, één waarin The Veils (alwéér!) hun unieke talent tonen om gitzwarte teksten om te zetten in wonderschone muziek.


The Veils, “Swimming with the crocodiles”

zaterdag 21 februari 2015

La complainte de la butte

Omdat dit jaar Moulin Rouge als schoolmusical zal worden opgevoerd, hadden twee leerlingen me gevraagd in de les een keer een liedje uit dit stuk te behandelen. Om die reden heb ik me vorige week gebogen over het nummer “La complainte de la butte”. Dit nummer was oorspronkelijk geschreven voor French Cancan (1954), door de regisseur van deze film, Jean Renoir. Voor de film Moulin Rouge! (2001) heeft de in Montréal opgegroeide zanger Rufus Wainwright het nummer heropgenomen. De gevoelige pianomuziek, de scherpe, klagende stem van Wainwright en met name de sublieme tekst maken het tot een prachtig nummer. Hieronder een korte inleiding, daaronder de tekst met tussendoor mijn commentaar.


Het is een kalme, heldere nacht, het maanlicht glanst op de natgeregende straten van Parijs. We bevinden ons in het noorden van de stad, in de wijk Montmartre, aan de voet van de gelijknamige heuvel. De indrukwekkende Sacré Coeur staat op de top van La butte (“de heuvel”), verder is de kunstenaarswijk bekend om haar keur aan louche nachtclubs. De ik-persoon wandelt met zijn ziel onder zijn arm door de vrijwel verlaten straten. Zijn hart is gebroken, en het leven weegt hem zwaar. Maar dan komt hij haar tegen. Zij is een armoedig scharminkel met een jurk vol gaten, een meisje nog. De ik-persoon echter is op slag verliefd en ziet niets dan schoonheid in haar.

La lune trop blême // pose un diadème // sur tes cheveux roux
La lune trop rousse // de gloire éclabousse // ton jupon plein d’trous
La lune trop pâle // caresse l’opale // de tes yeux blasés
Princesse de la rue // soit la bienvenue // dans mon cœur brisé

In de eerste drie zinnen vormt de maan (la lune) het onderwerp. De ik-persoon treedt niet als handelende persoon op, waardoor de afstand tussen hem en het meisje voelbaar is. De maan speelt hier de hoofdrol, het meisje is de aanbeden persoon, en de ik-persoon is slechts toeschouwer. Hij richt zich wel tot haar, hij heeft het immers over “je rode haren”, “je jurk vol met gaten”, en “je vermoeide ogen”, maar hij heeft nog lang geen contact.

De maan kan ondertussen niet anders dan de schoonheid van het meisje belichten. Door de lichtval lijkt het of ze een diadeem op haar rode haar draagt, de roodachtige gloed schijnt prachtig op haar versleten jurk, en hoewel de vermoeidheid uit haar ogen spreekt, schitteren ze dankzij het licht van de maan als opaal — overigens een edelsteen die al sinds de oudheid gebruikt wordt als medicijn tegen melancholie, precies waar de ik-persoon onder lijdt.

Dan, in de laatste zin van het eerste couplet, richt de zanger zich wél direct tot het meisje. “Prinses van de straat, wees welkom in mijn gebroken hart”, zo verwelkomt hij haar. Waarbij Princesse de la rue een mooie variatie vormt op femme de la rue, andere benaming voor een prostituee. In deze laatste zin zingt hij voor het eerst ook over zichzelf: hij stelt zijn gebroken hart open.

Les escaliers de la butte sont durs aux miséreux
Les ailes du Moulin protègent les amoureux          [refrain]

In het refrein worden de steile trappen naar de top van Montmartre bezongen. De armzaligen valt de klim zwaar. Geliefden echter vinden onder de wieken van de Moulin Rouge, aan de voet van de heuvel, bescherming en kracht.

Ma petite mandigotte, // je sens ta menotte // qui cherche ma main
Je sens ta poitrine // et ta taille fine ; // j’oublie mon chagrin
Je sens sur tes lèvres // une odeur de fièvre // de gosse mal nourri
Et sous ta caresse // je sens une ivresse // qui m’anéantit

In het tweede couplet is het contact gelegd. Dit contact wordt steeds intenser. In de eerste regel houden ze elkaars handen vast, in de tweede regel voelt de ik-persoon het lichaam van het meisje, in de derde regel kust hij haar, en in de vierde regel bezingt hij het gevoel dat haar omhelzing bij hem teweegbrengt.

Uit de woorden van de eerste drie regels blijkt dat we echt nog met een jong meisje te maken hebben: we horen “petite mandigotte”, (klein bedelaartje), “menotte” (handje), “taille fine” (dunne taille), en “gosse” (kind). In elke regel zingt de ik-persoon “je sens” (ik voel), elke keer volgt een beschrijving wat hij fysiek aanraakt. Net als in het eerste couplet is de vierde regel van een andere categorie. Weer horen we “je sens”, maar nu gaat het niet om wat de ik-persoon van het meisje voelt, maar wat hij intern beleeft onder haar omhelzing: “een roes die me sloopt”, aldus de gebroken man die weer liefde voelt.

[refrain]

Et voilà qu’elle trotte // La lune qui flotte // La princesse aussi
La la la la la, la la la la la
Mes rêves épanouis

[refrain]

In het laatste couplet verdwijnt het meisje weer in de Parijse nacht. Ze wordt zelfs niet meer (in)direct aangesproken, de zanger kan slechts registreren hoe de prinses van de straat wegtrippelt, wegzweeft, net als de maan al doet. Is alle licht dan gedoofd? Nee, want na een kort moment waarin we de maan en het meisje de gelegenheid geven volledig van het toneel te verdwijnen (La la la la …), blijft de zanger over met zijn rêves épanouis, oftewel zijn “ontluikende (stralende) dromen”.


De tekst van dit nummer is zowel qua klank als qua betekenis op uiterst vakkundige wijze geconstrueerd. Ten eerste bevatten de zinnen een prachtige ritmiek, waarbij de zinnen zowel onderling als intern (binnenrijm) heel natuurlijk en feilloos rijmen. Ten tweede wordt met feitelijk slechts een paar zinnen een gebeurtenis zó beschreven, dat het lijkt of je zelf ook in Montmartre bent, toeschouwer bij deze ontmoeting. Een deel van wat ik voor me zie is zeker eigen invulling (bijvoorbeeld de natgeregende straten), maar ik heb niet vaak dat een nummer zó haarscherp een beeld bij me oproept. De opbouw van betekenis in de coupletten voert je langs een ontmoeting die even vluchtig als hartverwarmend is. Hoe het de ik-persoon en het naamloze meisje na hun treffen is vergaan zullen we nooit weten. Gelukkig kunnen we dit korte ogenblik van bitterzoete vreugde tot in de eeuwigheid blijven herhalen.


zondag 17 augustus 2014

Stromae en David Bowie

Omdat ik in één van de eerste lessen voor 4 VWO een nummer van Stromae wil gebruiken (Papaoutai) heb ik wat zitten rondkijken op YouTube. Want hoewel ik Stromaes muziek al goed kende, was ik met zijn clips vooralsnog onbekend. Die blijken buitengewoon artistiek, en ondersteunen écht het verhaal dat hij met zijn muziek vertelt.

Zo is hij in Tous les mêmes tegelijkertijd zowel een man als een vrouw. Aan één kant heeft hij lang haar en oogschaduw en gedraagt hij zich vrouwelijk, maar wanneer de camera hem vanaf de andere kant filmt ziet hij eruit als een man en gedraagt hij zich ook zo. Ondertussen bezingt hij de eeuwige verschillen en relatieperikelen tussen man en vrouw, van beide kanten. Hij besluit met “Tous les mêmes, tous les mêmes, tous les mêmes, et y’en a marre”, oftewel “allemaal hetzelfde, allemaal hetzelfde, allemaal hetzelfde, en we zijn het zat”.

Ook Papaoutai heeft een originele en artistieke clip. Hierin krijgt een klein jochie maar geen contact met zijn onbeweeglijke vader die er overigens precies zo uitziet als hijzelf, maar dan wat groter. Stromae zelf speelt de vader. Hij kan zich angstaanjagend goed als onbeweeglijke pop neerzetten: aanwezig maar onbereikbaar. De video geeft ook ruimte voor nieuwe interpretaties van de tekst: het is duidelijk dat Stromae zingt over een niet-aanwezig vader, maar in de clip is er toch zeker wél iemand, hoewel onbereikbaar. Is dit dan slechts een droombeeld van het zoontje? En wat betekent dit voor “Sans même devoir lui parler, il sait ce qui ne va pas” (“zonder zelfs met hem te moeten praten, weet hij wat niet gaat”)? Ik dacht altijd dat hiermee bedoeld werd dat zijn moeder zijn afwezige vader aanhaalde om haar verboden op één of andere manier kracht bij te zetten (“dat mag niet van je vader”), maar het zou ook kunnen dat het jongetje wél denkt een goede band met zijn (ingebeelde) vader te hebben. Zonder woorden weet zijn vader wanneer hij zich niet goed voelt. Ik ben heel benieuwd wat mijn leerlingen volgende week te zeggen hebben over deze en andere kwesties!

Toen ik vandaag de uitvoering van Papaoutai bekeek waar Stromae Lowlands op trakteerde, deed de opkomst me heel sterk denken aan een ander, vooralsnog veel groter artiest. Stromae werd namelijk het podium opgedragen, en als een wassen beeld voor zijn microfoon neergezet. Dit had ik al eerder gezien bij live-uitvoeringen van dit nummer, maar deze keer schoot me het beeld te binnen van hoe David Bowie (ja, hij weer!) in 1979 bij een Saturday Night Live-show voor zijn microfoon gezet werd. Hij móest ook wel getild worden, omdat het pak dat hij droeg het niet toestond te lopen.

Ik vraag me af in hoeverre Stromae David Bowie kent en zich er al dan niet bewust door laat inspireren. Behalve deze (triviale) gelijkenis deed namelijk ook de androgyne verschijning die Stromae in Tous les mêmes neerzet me aan Bowie denken. Laatstgenoemde is misschien wel de bekendste artiest die zich graag androgyn kleedde en opmaakte, hoewel ik zo niet een uitdossing voor de geest kan halen waarin beide seksen verenigd zijn op zo’n duidelijk gescheiden wijze, zoals bij Stromae. De kleren die Stromae in de clip draagt, zouden in ieder geval zó uit Bowies kast kunnen komen. En dan nog iets: aan het einde van de video danst de androgyne Stromae met een meisje dat zeer op hem lijkt, en eenzelfde androgyne verschijning is. Wie dacht er nog meer aan de (overigens vrij recente) clip van The Stars (Are Out Tonight), waarin een jonge David Bowie door een vrouw gespeeld wordt, en de oude Bowie zijn jonge, vrouwelijke evenbeeld ontmoet?

Misschien zie ik hier parallellen of invloeden omdat ik die wíl zien — wij mensen willen nu eenmaal graag connecties leggen en structuur zien, ook waar die er eigenlijk niet is. Ik ben daar geen uitzondering op. Maar ook los van elkaar zijn Bowie en Stromae fenomenen die niet alleen door hun muziek indruk maken. En daarvoor zeg ik uit de grond van mijn hart: thank you en merci!


Stromae bij So You Think You Can Dance (2013). Precies zo’n opkomst deed hij gisteren op Low­lands. Daarvan kon ik nog geen losse video vinden, vandaar de keuze voor deze.


David Bowie bij Saturday Night Live (1979)




Stromae, Tous les mêmes


David Bowie, The Stars (Are Out Tonight) (uitgebreide versie)




Stromae in Tous les mêmes


Stromae en zijn vrouwelijke evenbeeld in Tous les mêmes


David Bowie en zijn vrouwelijke evenbeeld in The Stars (Are Out Tonight)

maandag 9 juni 2014

Heavenfaced

Wat is dat toch met Trouble Will Find Me, het laatste album van The National? Vorige maand schreef ik al over “I Should Live in Salt”, deze maand wil ik graag aftrappen met mijn interpretatie van “Heavenfaced”, het zesde nummer van de plaat.

Want hoe vaker ik dit nummer luisterde, hoe duidelijker ik een beeld voor ogen had. Een beeld dat de meesten waarschijnlijk wel zullen kennen: het komt uit de slotscène van Gladiator (2000), waarin de stervende gladiator Maximus (Russel Crowe) in zijn hoofd teruggaat naar de velden waar zijn huis staat en waar zijn vrouw en zoontje op hem wachten. Hij laat zijn hand over de aren glijden, geniet van de wind in zijn haar, van de rust die heerst, en ziet hoe zijn zoontje op hem af rent. Dan wordt het scherm zwart.

“Heavenfaced” interpreteer ik als een nummer waarin een stervende man, in het voorportaal van de hemel, in zijn hoofd nog één keer bij zijn geliefde is. Zoals Maximus in Gladiator. Minpunt in deze vergelijking is dat Maximus’ vrouw en kind zelf al gestorven zijn (waardoor Maximus als het ware “thuiskomt”), waar dat bij de ikfiguur in “Heavenfaced” volgens mij niet het geval is (en de ikfiguur dus juist weggaat). Maar hoewel de beweging omgekeerd is, zijn tussen de twee momenten zelf veel parallellen te zien. Hieronder de tekst met tussendoor mijn commentaar.


I could walk out, but I won’t
In my mind I am in your arms
I wish someone would take my place
Can’t face heaven all heavenfaced
No one’s careful all the time
If you lose me, I’m gonna die

Het eerste couplet geeft direct de situatie weer: de stervende ikfiguur is in zijn hoofd bij zijn geliefde, voor de laatste keer. Een gelukzalig moment dat hij zo lang mogelijk vasthoudt, want zodra dit moment voorbij is, sterft hij en laat hij haar definitief achter op de aarde. Na de laatste zin komt een kleine muzikale bridge, om de woorden goed te laten doordringen — en misschien om de ikfiguur de gelegenheid te geven een moment in stilte te genieten?

How completely high was I
I was off by a thousand miles
Hit the ceiling, then you fall
Things are tougher than we are
I could walk out, but I won’t
In my mind I am in your arms
I wish someone would take my place
Can’t face heaven all heavenfaced

In het tweede couplet blikt de ikfiguur terug op de tijd vlak voor zijn sterven. Het wordt duidelijk dat hij op het hoogtepunt van zijn geluk was, en misschien wel omkwam juist omdat hij (teveel) met zijn hoofd in de wolken liep. Na deze terugblik verschuift de focus weer naar het heden: het begin van het eerste couplet wordt herhaald.

Let’s go wait out in the fields with the ones we love
Let’s go wait out in the fields with the ones we love
Let’s go wait out in the fields with the ones we love
Let’s go wait out in the fields with the ones we love

Vooral door dit intermezzo, waarin tot vier keer toe “Let’s go wait out in the fields with the ones we love” wordt geopperd moest ik aan Gladiator denken. Het heerlijke moment in het voorportaal van de hemel: voor de ikfiguur duurt het te kort. Hij zou het liefst al veel eerder met zijn geliefden de velden in gaan om in die setting de dood af te wachten.

She’s a griever, not a believer
It’s not a fever, it’s a freezer
I believe her, I’m a griever now
She’s a griever, not a believer
It’s not a fever, it’s a freezer
I believe her, I’m a griever now

Na het rustig gezongen intermezzo komt er wat tempo in de vocalen. Dankzij de rijmende woorden die elkaar snel opvolgen gaat het ritme omhoog. Wat mij betreft is dit niet het meest duidelijke deel van de tekst, maar ik vermoed dat de ikfiguur hier echt sterft. Het besef dat hun leven samen over is, slaat eerst bij zijn geliefde in en daarna bij hemzelf. Het is geen ziekte of blessure die overgaat (“It’s not a fever”), het is definitief gedaan (“it’s a freezer”). Het lome, gelukzalige moment is voorbij, en gelijk met het snellere ritme van de vocalen komt ook de rit naar de hemel in een stroomversnelling.

Because we’ll all arrive in heaven alive
We’ll all arrive
Because we’ll all arrive in heaven alive
We’ll all arrive

De hoofdgedachte van het nummer wordt samengevat in het laatste couplet: je sterft zoals je op het moment van sterven leeft. Sterven op het hoogtepunt van je geluk is sterven met een glimlach om je lippen (“heavenfaced”), maar tegelijkertijd neem je ook het verdriet van het besef een geliefde achter te laten op aarde mee naar de hemel.


Het leuke aan literatuur, en daarmee ook aan songteksten, is dat er niet per definitie één waarheid is. Eén tekst kan op zóveel verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Op www.songmeanings.com worden weer andere, nieuwe inzichten gegeven in de tekst van “Heavenfaced”. Hoewel ik de ene uitleg sterker vind dan de andere, is het in alle gevallen leuk om te lezen hoe anderen dit nummer beleven. Hierboven heb ik mijn interpretatie uitgewerkt, zonder te willen claimen dat dit de juiste is. Mocht iemand de tekst of delen ervan heel anders opvatten: laat vooral van je horen, ik ben benieuwd!


Gladiator (2000)


The National, “Heavenfaced”

zaterdag 10 mei 2014

Zout

Eén van de mooiste zinnen uit de muziekgeschiedenis komt wat mij betreft voor rekening van The National. Ik heb het openingsnummer van hun laatste album Trouble Will Find Me nu al een half uur op repeat staan, en elke keer weer voel ik een brok in mijn keel opkomen als zanger Matt Berninger de woorden uit de titel zingt: ‘I should live in salt for leaving you behind’.

Hoewel ik het hele nummer enorm mooi vind — van de muziek tot de vocalen tot de tekst in zijn geheel — springt deze zin er voor mij echt uit. Hij roept een in-en-in tragisch beeld op, van iemand die verscheurd door verdriet en schuldgevoel op een plek leeft waar niets kán leven. Op een zoutvlakte, waar de zon genadeloos brandt en waar het water dat te vinden is de dorst alleen maar erger maakt. Waar zoutkristallen in open wonden en in alle slijmvliezen prikken, en waar de boetedoener uiteindelijk in het gekristalliseerde zout van zijn eigen tranen zal zitten. Zijn tijd uit zal zitten.

Op internet wordt de vergelijking met het oudtestamentische verhaal van de vernietiging van Sodom en Gomorra veelvuldig gemaakt. In dit verhaal (Gen. 18—19) worden de zondige steden vernietigd met zwavel en vuur. De gewaarschuwde Lot weet met zijn gezin te ontkomen, maar zijn vrouw kijkt tegen de instructies van God in achterom en verandert terstond in een zoutpilaar.

Zelf vind ik die vergelijking niet helemaal opgaan. Zeker, de vrouw van Lot keek ook terug op wat ze niet heeft kunnen redden, net als de ikfiguur uit het nummer. Maar waar zij direct in een zoutpilaar verandert en niet verder leeft, zingt Berninger over het verder leven in zout. En dat is ook het tragische wat uit ‘I should live in salt for leaving you behind’ spreekt: het boete doen, het langdurige lijden omdat je iemand hebt achtergelaten waar je bij had moeten blijven. Het dubbele verdriet: de pijn die niet alleen bestaat uit het verder leven an sich zonder degene die je achterliet, maar ook uit het stekende schuldgevoel dat jij de foute keuze gemaakt hebt alleen verder te gaan.

De rest van het nummer lijkt te wijzen op een (ex)geliefde die achter is gelaten (hoewel betwistbaar), maar ik wil het graag alleen over die ene zin ‘I should live in salt for leaving you behind’ hebben. Want wanneer ik die zin hoor vergeet ik de rest van het nummer, en zie ik het eerder geschetste beeld voor me van een gebroken persoon op een kale zoutvlakte. De gedachten van die persoon gaan in mijn beleving niet per se uit naar een (ex)geliefde, maar kunnen evengoed uitgaan naar een vriend, vriendin, broer, zus, of een ander familielid. Iemand van wie de ikfiguur houdt en had moeten helpen, bij had moeten blijven. Maar de ikfiguur liet de ander aan zijn of haar lot over, met alle gevolgen van dien. En nu is de ikfiguur die verliet zelf de verlatene, alleen met pijn en zout. Misschien verandert hij op den duur zelf in een zoutpilaar, je zou het haast hopen.

Overigens dacht ik bij het horen van ‘I should live in salt for leaving you behind’ aan een ander, meer recent literair werk. Wie Hhhh van Laurent Binet heeft gelezen herinnert zich wellicht het dorp Lidice dat niet herinnerd mocht worden; “Het bevel luidt Lidice letterlijk van de kaart te vegen. ... men strooit zout over de aarde om er zeker van te zijn dat er niets meer ontkiemt.” Bij het lezen van dit boek stroomde het zoutwater ongeremd uit mijn ogen; net als The National heeft Binet zeldzaam talent voor het oproepen van pijn juist door mooie teksten. Wellicht later meer hierover.


The National, “I Should Live in Salt”

vrijdag 14 maart 2014

The Veils ― Time Stays, We Go
Voorbeschouwing op het concert in Paradiso, 14/03/2014

Sommige bands blijven je achtervolgen. Nu ben ik sowieso vrij trouw qua muziekkeuze: ik kan tot in den treure naar bepaalde muziek luisteren, en als muziek eenmaal op mijn mp3-speler staat dan is de kans zeer groot dat het jaren later nog op dezelfde plek staat. The Veils vormen één van de bands die ik al bijna een decennium beluister. Dankzij last.fm (hoera voor dataverzameling en statistiekjes!) kan ik inmiddels liefst 6,5 jaar terugkijken in mijn muziekgeschiedenis, en vanaf de eerste dag dat ik de plug-in gebruikte (dat was op 19 september 2007), staan The Veils in mijn library. Waarschijnlijk kende ik de Nieuw-Zeelandse band ook voor die datum al wel, maar aangezien de vastgelegde geschiedenis van mijn muziekconsumptie pas toen begon, geldt 19 september 2007 als mijn muzikale Stunde Null — en daarom kunnen we stellen dat ik sinds het begin der tijden al naar The Veils luister, en dat nog altijd doe.

Ik zou mezelf geen superfan van The Veils noemen. Zo had ik pas negen maanden na verschijning het nieuwste album in mijn collectie, en ondanks dat ik al kaartjes had gekocht om naar het concert in Tivoli de Helling te gaan, vorig jaar in juni, besloot ik op het laatste moment toch niet te gaan. Natuurlijk had ik daar wel redenen voor, die in die tijd zwaar wogen, maar het toont wel aan dat het concert niet met dikke viltstift in mijn agenda geschreven was. Bovendien heb ik ook wel perioden waarin ik minder naar hun muziek luister, en de nummers binnen een seconde doorspoel wanneer mijn mp3-speler ze aandraagt.

Maar, zoals ik dit stuk al begon, sommige bands blijven je achtervolgen. Op dit moment zit ik dan ook weer eens in een The Veils-fase, die eind januari begon met de ontdekking van hun nieuwste album en die nog altijd aanhoudt. Gelukkig maar, want vanavond geven ze een optreden in Paradiso — en ik ben erbij!

Het optreden zal voornamelijk in het teken staan van hun nieuwste album Time Stays, We Go, dat inmiddels al bijna een jaar oud is. Het is naar mijn mening een zeer sterk album, met nummers waarin de kenmerkende stem van Finn Andrews weer goed uitkomt (zij het minder rauw dan we gewend zijn van eerdere albums), waarin de vele muzikale lijnen een sterke ondersteuning bieden en waarin de teksten weer precies poëtisch genoeg zijn — ze laten ruimte voor eigen interpretatie zonder te abstract te worden.

Het album opent met het furieuze “Through the Deep, Dark Wood”, meteen een heerlijke binnenkomer. De rest van de cd is minder heftig; de nummers zijn rustiger, en Finn Andrews zingt meer op gemak — zoals eerder gezegd een groot verschil met eerder albums, waarbij ik met name denk aan Nux Vomica (letterlijk “Notenkots” — what’s in a name!). Het tempo ligt minder hoog, overigens zonder te vervelen. Nummers als “Sign of Your Love”, “Birds” en het klaaglijke “Candy Apple Red” zijn dankzij de bezwerende stem van Finn Andrews meeslepende, emotionele nummers. Eén uitzondering moet genoemd worden: het laatste nummer, “Out from the Valley & Into the Stars” is een vrij saai, verhalend nummer dat wat mij betreft een overbodige toevoeging aan het album is.

De titel van het één na laatste nummer, “Another Night on Earth” verwijst terug naar “One Night on Earth” van Nux Vomica, niet toevallig ook daar het één na laatste nummer. “Another Night on Earth” is muzikaal gezien een vrij opgeruimd nummer voor The Veils’ doen, maar uit de tekst spreekt diepe vertwijfeling: “Do we just not matter at all or is that the Gods are insane?/Or is it the troubles of the universe or just the troubles of the human brain?//Is it worth it if I get hurt? Just for another night on this earth?”. Het is bekend dat Finn Andrews lange perioden met depressies kampt, en hij weet zijn gevoelens en twijfels als geen ander in muziek om te zetten. Dit overigens zonder ooit deprimerend te klinken; de muziek van The Veils is emotioneel en bij vlagen duister, maar zelden een aanslag op je eigen gemoedstoestand. Eerder zetten de teksten je aan het denken en verwoorden ze de vertwijfeling die bij iedereen in meer of mindere mate wel bekend is.

Bij de twee eerdere concerten van The Veils die ik heb meegemaakt (ik kon ze op last.fm niet meer terugvinden, dus ze zullen allebei vóór 27 september 2007 geweest zijn) maakte de band de uitstekende livereputatie meer dan waar. Ook vanavond verwacht ik een emotioneel, meeslepend optreden, waarin Finn Andrews met alles wat hij in zich heeft de gedachten van zijn getroebleerde geest over het publiek uit zal storten. En hopelijk wordt het concert afgesloten met het gevoel dat ook uit het einde van “Another Night on Earth klinkt: “And it’s worth it if I get hurt, just for another night on this earth(/I hope I don’t go ‘til I’ve seen everything/I hope I don’t go ‘til I’ve felt everything…)”.


The Veils, “Through the Deep Dark Wood”

dinsdag 5 november 2013

Nick Cave & The Bad Seeds in de Heineken Music Hall –
Opening als apotheose

Een tijdje geleden schreef ik al een stuk over Nick Cave, waarin ik afsloot met de mededeling dat ik kaartjes bemachtigd had voor het extra concert van Cave en consorten. Welnu, gisteren was het zover. Op een druilerige maandagavond traden Nick Cave & The Bad Seeds op in de bekende grijze betonnen bak in de Bijlmer, met de al net zo min gezellige naam “Heineken Music Hall”. Tot zover geen gunstige voortekenen. Het voorprogramma maakte het er ook nog niet beter op: Shilpa Ray mocht zich uitleven op het podium. Ik had er nooit van gehoord, en hoop er eerlijk gezegd ook nooit meer iets van te horen. Denk een vrouw in die al gruntend en schreeuwend de lang aanhoudende klanken uit haar harmonium (een combinatie tussen een orgel en accordeon) probeert te overstemmen. Gelukkig droop ze al redelijk snel af, en kon na een korte ombouwpauze het podium geboden worden aan de Australische superster met zijn band. En toen kwam alles goed.

Na een korte groet naar het publiek worden de eerste tonen van “We No Who U R” ingezet. Zodra Nick Cave de microfoon ter hand neemt, is duidelijk dat hij in zeer grootse vorm steekt. Met een diepe, donkere stem brengt hij het openingsnummer van het nieuwste album op weergaloze wijze ter gehore. Alles klopt, en laat ik hierbij zeker niet vergeten The Bad Seeds te vermelden: want achter de overtuigende zang staat de muzikale ondersteuning als een huis, de perfecte fundering vormend voor de zang van de frontman zelf. Wat een opening. Er is amper tijd om te bekomen van zoveel muzikale pracht, want het tweede nummer, “Jubilee Street” (mijn persoonlijke favoriet van Push The Sky Away) volgt direct. En hoe. Op het album is het al een meeslepend nummer, maar op het podium is het intens in het kwadraat. De muziek begint rustig, maar de krachtige stem van Cave, waar de energie werkelijk uit lijkt te barsten, maakt direct de bedoelingen duidelijk. Naarmate het nummer vordert beent de charismatische frontman het podium van links naar rechts over, kijkt met bliksemschietende ogen de zaal in, en maakt danspassen op zijn bekende, excentrieke wijze. Ondertussen zingt hij met zoveel passie, zoveel energie, dat de intensiteit van het nummer in het hele publiek voelbaar is — en het vuur laait hoger en hoger op. Het ritme van de drums en bas gaat omhoog, de viool speelt steeds furieuzer, en Cave, één brok energie, brult uit de grond van zijn hart. Het nummer eindigt in een onbeschrijflijke climax.

© Paul Bergen

“Jubilee Street” is misschien wel het beste livenummer dat ik ooit heb mogen zien, en in combinatie met “We No Who U R” is de opening van het concert meteen het onbetwiste hoogtepunt. Natuurlijk, er volgen nog veel meer mooie nummers: het derde nummer, “Do You Love Me?” en later de bezwerende uitvoering van “Higgs Boson Blues” zijn slechts twee voorbeelden daarvan. En Nick Cave, de charismatische showman, toont zich podiumbeest eerste klas. Hij dirigeert zijn band, maakt veelvuldig contact met de eerste rijen, en heeft scherpe reacties op de kreten uit het publiek — na een ondefinieerbare brul verzoekt hij onbewogen om niet zulk lawaai te maken, want “it is distracting. Really, it is.” Wanneer dezelfde man nogmaals schreeuwt, kijkt Cave naar de hoek van waaruit geroepen werd, om het volgende nummer doodleuk op te dragen aan “the deep-throated lady over there”.

In het tweede gedeelte van het concert worden er alleen wat mij betreft wel érg veel ballads gespeeld. En dat is jammer, want hoewel ze schitterend uitgevoerd worden, neemt mijn concentratie na een aantal rustige nummers simpelweg af. Niet dat er helemaal geen vuurwerk meer in de setlist zat — “From Her to Eternity” bijvoorbeeld, is een knaller van de bovenste plank —, maar de ballads hebben me een beetje in slaap gesust. Of misschien dat het aan de openingsnummers lag, dat die net teveel van mijn energie opgeslokt hebben, ik weet het niet. Het zou ook best kunnen dat het concert als geheel me gewoon iets te lang was — in een ruim twee uur durende set worden liefst 22 nummers opgevoerd: 17 in het reguliere optreden en nog eens 5 in de toegift. In deze toegift lijken The Bad Seeds na de energieke uitvoering van “Papa Won’t Leave You, Henry” klaar te staan voor het laatste saluut, maar Nick Cave kruipt andermaal achter de piano voor nog twee nummers. Eens te meer een voorbeeld van de tomeloze energie die Cave deze avond tentoonspreidt — hij treedt op met hart en ziel en geeft werkelijk alles. Over anderhalve week, op 17 november, doet de Australische geweldenaar Amsterdam nog een keer aan. Voor iedereen die gaat: riemen vast!


Jubilee Street, 4 november 2013 HMH

zondag 15 september 2013

“Here I am, not quite dying”

Op 8 januari van dit jaar werd één van de grootste artiesten aller tijden 66 jaar. Hij vierde dit met de hele wereld: na tien jaar min of meer radiostilte verraste hij met niet alleen een nieuwe single, maar ook met de boodschap dat dit nog maar het begin was — een nieuw album was op komst. Voorlopig moesten de fans het echter stellen met het nummer “Where Are We Now?”. Hierin zingt David Bowie (de echte fan had na de eerste zin natuurlijk al door over wie dit stuk zou gaan) met weemoedige stem over zijn voorbije tijd in Berlijn. De muziek gaat traag, met lang doorklinkende akkoorden. Bijbehorende videoclip toont een rommelige studio, met daarin een scherm dat oude beelden van Berlijn toont. Twee gezichten steken door het scherm heen, vormen de hoofden van aan elkaar vastzittende poppen die voor het scherm zitten: David Bowie, die de zang voor zijn rekening neemt, en een anonieme, onbeweeglijke vrouw. De camera zoomt ongenadig in op het getekende, gegroefde gezicht van Bowie, die met glinsterende ogen in de verte staart. De tekst wordt woord voor woord getoond, in ouderwetse typemachineletters. Het nummer ademt aan alle kanten nostalgie, en de titel — misschien vooral vanwege het vraagteken — roept een beeld op van een Bowie die niet langer op ramkoers de toekomst in stormt, maar tot stilstand is gekomen, om zich heen kijkt, en zich afvraagt of hij er nu is — waar dat ook moge zijn. Hij weet het zelf ook niet.

Ik wist niet wat ik van het album moest verwachten. Wilde Bowie van een afstand op het verleden terugblikken, in lijn met “Where Are We Now?”? Of zou het juist vernieuwend zijn? Zou het gemaakt zijn met de insteek dat het zijn laatste album ooit zou zijn? Zou het gevuld zijn met melancholische nummers over de verloren tijd? Ik had geen flauw idee, en eigenlijk was ik er een beetje bang voor: één voortkabbelend nummer dat zwart-wit beelden oproept vind ik mooi maar voldoende.

Twee maanden later werd de plaat dan gelanceerd. Na een blik op de tracklist, met titels als “The Next Day”, “Dancing Out of Space” en “(You Will) Set the World on Fire” verwachtte ik helemaal geen rustige muziek meer: er gaat geknald worden! Het eerste nummer, de titelsong “The Next Day” bevestigt dit vermoeden direct. Met elektronisch vervormde stem doet Bowie alle twijfel die hij in “Where Are We Now?” zelf opwierp direct verstommen. “Here I am, not quite dying […] And the next day, And the next, And another day!” De toon is gezet. Bowie heeft de wereld andermaal op het verkeerde been gezet: na eerst jarenlang zo geheimzinnig te doen over überhaupt de productie van een nieuwe plaat, en dan “Where Are We Now?” als eerste single te lanceren, opent hij vervolgens het album met een nummer waar de energie van alle kanten uit schiet. Het maakt de opwinding over de nieuw uitgebrachte nummers des te groter.

“The Stars (Are Out Tonight)”, het derde nummer van het album, maakt nogmaals duidelijk wat Bowies state of mind is. In dit nummer tiert de zanger over de nietaflatende, opdringerige aandacht voor sterren. Bij het nummer hoort een heel mooie, verhalende videoclip, waarin een vrouwelijk model (!) de rol van de jonge Bowie speelt. Aangezien de tekst duidelijk ook over het leven van de maestro zelf gaat, is de uitroep “But I hope they live forever!” die verschillende coupletten afsluit van des te meer waarde. Hoezo, einde van de carrière en terugkijken op verstreken tijd?

Een ander nummer dat een aparte vermelding verdient, is “How Does the Grass Grow?”, een nummer met een strakke maat en dito zang — Bowie klinkt scherp en is duidelijk in vorm. De nummers zijn bepaald niet op de automatische piloot gemaakt, maar met een vuur dat na bijna vijftig jaar carrière nog niets heeft afgedaan. The Next Day, kortom, is een ware traktatie voor de Bowiefans en een absolute toevoeging aan het al zo omvangrijke œuvre van de man met de vele verschijningsvormen.

De discussie die vervolgens oplaaide, ging over een eventuele tour ter ere van het nieuwe album. Zelf heeft Bowie gezegd dat hier geen sprake van is; zijn laatste tour, uit 2004, werd voortijdig afgebroken wegens gezondheidsproblemen. Hij heeft zelfs een (kort) optreden geweigerd tijdens de openingsceremonie van de Olympische Spelen, vorig jaar in Londen. Maar inmiddels is duidelijk dat van David Bowie alles te verwachten valt. Hij heeft de regie volledig in eigen handen. Wij kunnen alleen maar hopen dat hij op zijn 67e verjaardag weer groots uitpakt!


“Where Are We Now?” en (de uitgebreide versie van) “The Stars (Are Out Tonight)”




dinsdag 10 september 2013

Nick Cave

Terwijl ik dit schrijf, luister ik naar het nieuwste album van Nick Cave & The Bad Seeds, Push The Sky Away. Super mooi! Voor wie hem niet kent: Nick Cave is een Australische zanger, poëet, en schrijver. Hij is voornamelijk bekend in combinatie met zijn band The Bad Seeds. Kenmerkend voor zijn muziek zijn de poëtische teksten; veel zijn overgoten met een sausje van zwarte gal (denk aan het album Murder Ballads, waarop, inderdaad, hoofdzakelijk over moord gezongen wordt), maar er zijn heus ook lichtere nummers. Bijvoorbeeld Nature Boy, één van mijn favorieten, waarin (kort door de bocht) de ontmoeting met een droomvrouw bezongen wordt. Ik las ooit hoe in de lyrics op meer of minder expliciete wijze de teksten van klassiek Griekse dichteres Sappho aangehaald worden, en hoe de droomvrouw als een moderne Aphrodite gepresenteerd wordt. Dat vind ik nou echt leuke dingen — over het voortleven van de klassieken in moderne literatuur en muziek zal ik in de toekomst zelf vast ook nog schrijven.

Maar goed, Nick Cave dus. In een notendop: hij heeft inmiddels al 21 studio-albums op zijn naam staan, waarvan 17 in samenwerking met The Bad Seeds, heeft twee romans uitgebracht (bij de laatste kan een app gedownload worden; “the result sits somewhere between a film soundtrack, a radio play and an hallucination” aldus de meewerkende kunstenaars), en hij heeft het scenario van de film Lawless geschreven, die in 2012 op het filmfestival van Cannes in première is gegaan. Eén van zijn bekendste nummers is een duet met mede-Australiër Kylie Minogue, “Where the Wild Roses Grow”. Een nummer dat heel lieflijk begint, maar waarin het mooie meisje uiteindelijk wordt doodgeslagen met een steen. Meer op persoonlijk vlak: hij heeft zijn vader verloren in een verkeersongeluk toen hij 21 was, kan PJ Harvey tot zijn exen rekenen, kent een aardig heroïneverleden, en heeft verschillende kinderen bij verschillende vrouwen. (Zoon Jethro timmert opvallend genoeg — zijn vader is nou niet bepaald moeders mooiste — aan de weg als model.) Kortom, een authentieke rocker en creatief multitalent. Een icoon, dat inmiddels ook: al meer dan dertig jaar verrijkt hij de wereld met zijn muziek en teksten.

Afgelopen zomer vormden Cave & co. de zondagafsluiter van Lowlands. Ik was er niet bij (überhaupt niet bij Lowlands), maar volgens de recensies was het optreden fenomenaal. Een greep uit de reacties: “verpletterend” (Volkskrant), “een van de meest charismatische performers op aarde [...] bezwerende show [...] absoluut hoogtepunt” (3voor12.nl), “Nick Cave is de baas van Lowlands” (nu.nl). Dat belooft veel goeds voor de Push The Sky Away-tour, die dit najaar op de agenda staat! Op 4 november wordt Amsterdam aangedaan voor een extra concert, nadat het eerder geplande concert op 11 november al binnen een dag uitverkocht was. Voor dat concert was ik te laat met kaarten kopen, maar... voor het extra concert heb ik inmiddels tickets binnen! Begin november zal ik de geweldenaar dus live in actie zien. Wordt vervolgd!


Het eerste nummer van het nieuwe album, “We No Who U R”, en het eerder genoemde “Nature Boy”.




woensdag 24 juli 2013

Lana del Rey in de Heineken Music Hall –
Uitzinnig publiek, matige muziek

Woensdag 29 mei trad Lana del Rey op in een uitverkochte Heineken Music Hall, en ik was één van de gelukkigen met een kaartje. Tussen het voorprogramma – vier mannen met gitaren – en de hoofdact in, had ik uitgebreid de tijd om de rest van het publiek te bestuderen. Een grove indeling was snel gemaakt: 80% jonge meisjes, 10% meegesleepte vriendjes, en nog eens 10% homo’s. De gesprekken die ik opving waren vermakelijk en verrassend, aangezien ik normaal gesproken nooit tussen een mensenmassa met een dergelijke samenstelling sta. “Ha-haa! Zie je die jongen daar verderop?” kraaide een gezellige homo achter me. “Die met dat witte pluizige shirt aan. Een albino-pino! Ha-haa!” Ondertussen probeerden twee jonge meisjes zich door het publiek naar voren te worstelen. “Ik vind eigenlijk wel dat ik recht heb op een plek vooraan,” stelde één van hen. “Ik ken echt ál haar nummers uit mijn hoofd.” “Ze is zó perfect,’ zuchtte de ander. De pogingen om dichter bij het podium te komen strandden echter al snel, ondanks het herhaaldelijke luide verkondigen van het eerste meisje dat ze toch echt wel recht had op een plek aan het podium.

Dat podium zag er inmiddels uit als een rariteitenkabinet uit vervlogen tijden. Er stonden twee stenen leeuwen, een vintage klerenkast waar flarden stof – spinrag? – uit hingen, een manshoge kandelaar met scheve, stompe kaarsen, palmbomen... Toen Lana del Rey uiteindelijk zelf het podium betrad reageerde het publiek onmiddellijk met uitzinnig gegil, dat minutenlang aanhield. De zangeres ging gekleed in een wit jurkje met lange mouwen en vrij zicht op de oneindig lange benen. In haar haar droeg ze een bijpassende hoofdband. Haar klassieke jaren ’50–’60-uitstraling, vol verlangen naar oude, vervlogen tijden, paste perfect in de nostalgische sfeer die het podium ademde.

Ze glimlachte, genietend van de massahysterie die ze teweegbracht, maar tegelijkertijd kwetsbaar, haast verlegen onder het geflits van de camera’s en het gejoel van de fans. Zo nu en dan keek ze dan ook bedeesd naar de grond – om even later sexy heupwiegend over het podium te paraderen. Het concert werd afgetrapt met twee nummers die niet afkomstig waren van de hit-cd “Born to Die”, en dat was te merken aan de respons van de zaal: er werd weinig meegezongen maar des te meer gegild. Vanaf het derde nummer, de hit “Blue Jeans” werd er meer meegezongen. Toch verstomde het gegil nooit helemaal; er werd altijd wel ergens in het publiek uitzinnig gekrijst.

Tussen de nummers door nam Del Rey uitgebreid de tijd om het publiek te danken voor de hartelijke ontvangst en het enthousiasme. Ze was vaak bij de eerste rijen te vinden om handen te schudden, te poseren voor foto’s, en de adoratie van dichtbij over zich heen te laten komen. Leuk voor de fans die vooraan staan en nu mooie foto’s op hun smartphones hebben staan, minder leuk voor de overige 85% van het publiek. Deze tijdrovende uitstapjes hadden helaas ook tot gevolg dat er weinig nummers uitgevoerd werden. In totaal speelde Del Rey slechts veertien nummers, waarbij een aantal meer up-tempo nummers als “Lolita” en “Off to the Races” geheel ontbraken. En dat is jammer, want wat stevigere nummers zouden een leuke tegenhanger zijn geweest van de ballads die ruimschoots aanwezig waren.

Daarbij waren de uitvoeringen die Del Rey ter gehore bracht verre van perfect, maar dat leek het uitzinnige publiek niet te deren: ook de valse noten en soms wat ongelukkige variaties werden met een ongekend enthousiasme begroet. Geholpen door het sfeervol ingerichte podium en het kwartet strijkers dat echt een extra dimensie aan het optreden gaf, zette Del Rey al met al een alleszins acceptabele show neer. Positieve uitschieters in de setlist waren de volledige uitvoering van “Ride” en de prachtige vertolking van “Young and Beautiful”. Het laatste nummer van de avond, “National Anthem”, sloot het concert op een typerende manier af: terwijl de strijkers en de overige meegebrachte bandleden op het einde de melodie op een haast hypnotiserende manier door bleven spelen, bracht de zangeres zelf zo’n twintig minuten door bij de fans op de eerste rijen. Wat mij betreft had ze daar nog uren knuffels mogen uitdelen en praatjes mogen aanknopen; juist de instrumentale fade-out was misschien wel het hoogtepunt van de avond.